Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Presentatie Marjan Hammersma

Presentatie Marjan Hammersma, 29 oktober 2013

 

Spreekschets door DGCM Marjan Hammersma, bij het symposium Museale verwervingen vanaf 1933 op dinsdag 29 oktober 2013 in de Rode Hoed, Amsterdam.

[NB. Het gesproken woord geldt!]

Dames en heren,
Ik neem u even mee terug naar de jaren ’90, omdat ik het belangrijk vind om het contrast te markeren tussen toen en nu.

In 1997 begon de Commissie Ekkart -liever gezegd de eerste van vele Commissies Ekkart- aan een proefonderzoek naar de herkomst van de NK-collectie. Dat was de collectie van kunstwerken die na de oorlog naar Nederland was teruggebracht, verzameld door de Monuments Men , de redders in het Amerikaanse leger van het cultureel erfgoed. Nelleke Noordervliet verwees daar net al naar.

Toen concludeerde de Commissie Ekkart dat de NK-collectie ‘omhuld was door een waas van geheimzinnigheid, dat herkomstgegevens onduidelijk waren en informatie ontoegankelijk’.

Nu spreken we over openheid en transparantie, over toegankelijkheid van gegevens, over de herkomst van onze openbare collecties.

Dat is de uitkomst van een bewustwordingsproces van jaren. De rijksoverheid ervoer in toenemende mate de urgentie dat er recht zou worden gedaan aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Om dat wat beter had gekund in het verleden, nu ook daadwerkelijk goed te doen, om kortom verantwoordelijkheid te nemen.

En dat is niet altijd even makkelijk.
Hoe complex de materie voor musea is, werd al snel duidelijk bij het project Museale Verwervingen 1940-1948.  In 1998 begonnen de musea met dit onderzoek naar de aanwinsten tijdens en vlak na de oorlog. Vaak konden de bronnen geen uitsluitsel geven over de vraag naar de herkomst van werken uit die periode. Ook hier ging het aloude adagium op: hoe meer je te weten komt, hoe duidelijker het wordt dat je nog weinig weet en dat nader onderzoek noodzakelijk is.

Duidelijk werd in ieder geval wel dat al vanaf 1933 de Nazi’s kunstwerken roofden van joodse families, die later door musea werden verworven. De Nederlandse Museumvereniging kondigde in januari 2009 daarom aan dat alle musea mee zouden werken aan het grote onderzoek naar kunstaankopen vanaf 1933.
Vandaag worden de resultaten van dat vierjarige onderzoek openbaar. Weer is een mijlpaal bereikt in het streven naar rechtvaardigheid daar waar het onze collecties betreft.

De musea hebben de afgelopen jaren bergen werk verzet. Daar dank ik hen voor. Het werk heeft veel inspanning en doorzettingsvermogen  gevraagd en dat in tijden die óók voor de musea niet altijd makkelijk zijn. Hieruit blijkt hoe belangrijk musea het vinden dat  de herkomst van kunstvoorwerpen zo duidelijk mogelijk is en openbaar is, óók als er twijfels zijn. Dat musea, zoals Rudi Ekkart dat zo treffend noemt: ‘de boel opengooien’.

Het met elkaar zo’n opgave oppakken vanuit verantwoordelijkheidsgevoel, past goed in de museumvisie die minister Bussemaker in juni van dit jaar in een brief aan de Tweede Kamer uiteenzette. De titel van die brief luidt: ‘Samen werken, samen sterker’. Twee pijlers liggen aan die museumvisie ten grondslag: brede samenwerking tussen musea onderling, én het behoud van kwaliteit en toegankelijkheid van de collectie. Ik zou willen zeggen dat wat de musea in het kader van Museale verwervingen vanaf 1933 in gezamenlijkheid hebben gedaan het museale bestel op zijn best is. Daarmee wil ik de NMV complimenteren.

Het valt mij op dat steeds meer musea het onderzoek naar de herkomst van hun collecties actief betrekken in het verhaal dat zij aan hun publiek vertellen. Dat is een ontwikkeling die ik toejuich. De geschiedenis van een kunstwerk maakt integraal deel uit van de betekenis die het voor ons als publiek en samenleving heeft. Kunst geroofd uit oorlogsgebied, betekent veel meer dan alleen het verlies van een werk.  Het is een aantasting van een gemeenschap, van mensen, van identiteiten. 

Zoals in het geval van het kleine schilderijtje ‘Koning Willem II te paard’ uit de rijkscollectie van Paleis Het Loo. In NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag konden we daarover lezen. Het gaat niet om een topstuk, of om financiële waarde. Wat mij trof in dat artikel is dat er familiefilmpjes bestaan waarin de vroegere eigenaar, Hieronymus Fraenkel, als sigaren rokende grootvader ons heel nabij komt. Een paar van die beelden zullen vanaf vandaag te zien zijn. Zo’n schilderijtje wordt dan een persoonlijke geschiedenis.

Dames en heren,
Openbaar cultureel bezit kan alleen gedijen als er openheid en helderheid is over de herkomst van de voorwerpen. Dat bewustzijn is steeds groter geworden. Het is mooi om te zien dat de resultaten die voortkomen uit dat bewustzijn openbaar gemaakt kunnen worden via een medium dat bedoeld is voor optimale toegankelijkheid: een website. Van een aantal werken is inmiddels de oorspronkelijke eigenaar bekend. Bij sommige werken bestaat het vermoeden van roofkunst, maar ontbreekt cruciale informatie om met zekerheid te kunnen vaststellen of en zo ja, van wie het kunstwerk is geroofd. Met behulp van bezoekers van de website komt hopelijk meer informatie boven water, waardoor het onderzoek verder kan gaan.

Ik ben verheugd om mee te kunnen delen dat binnenkort ook nog andere gegevens onderzocht kunnen worden. Vlak na de oorlog werden duizenden objecten als vermist aangegeven. Nog steeds zijn er 13.600 objecten niet teruggevonden. Alle aangifteformulieren die vlak na de oorlog werden ingevuld en de bijbehorende 1800 foto’s van kunstwerken zullen worden gedigitaliseerd en openbaar gemaakt via een website. Die grote klus zal mede met ondersteuning van OCW worden geklaard door Bureau Herkomst Gezocht.
Ik hoop dat náást de rijksoverheid, de andere overheden en de musea, óók kunsthandelaren en particulieren bij hun herkomstonderzoek nóg beter gebruik gaan maken van alle gegevens door de digitale beschikbaarheid ervan.

Dames en heren,
Het zijn niet alleen de resultaten van alle onderzoeken die tellen. Misschien is  het bewustzijn dat in de afgelopen jaren is ontstaan nog wel belangrijker. Dat zorgt ervoor dat beheerders en directeuren van musea hun collecties in de toekomst kritisch blijven bekijken en alert zullen zijn als nieuwe gegevens zich aandienen. 

Sinds medio jaren ’90 zijn er veel stappen gezet om te komen waar we nu zijn. Velen hebben daar aan bijgedragen en velen zullen dat in de toekomst blijven doen. Ik wil de begeleidingscommissie en haar onvermoeibare voorzitter danken voor haar enorme bijdrage aan dit resultaat.