Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Presentatie Nelleke Noordervliet

Presentatie Nelleke Noordervliet, 29 oktober 2013

MET DE KENNIS VAN NU

Achteraf is het altijd makkelijk praten. 'Met de kennis van nu' is een gevleugeld eufemisme voor het betuigen van spijt en tevens de ontlasting van het geweten. Ja, het is fout gegaan, maar nee, daar kon ik eigenlijk niets aan doen, want ik had niet de juiste informatie. Vooral politici laten de term graag vallen en oogsten dan de achterdochtige reactie: 'ja, ja.' Het is een makkelijk excuus, waarvan we zijn gaan vinden dat het eigenlijk geen hout snijdt. Met de kennis van nu was iedereen 'goed' geweest in de oorlog.

Het is jammer dat we die term niet meer zonder blozen kunnen gebruiken, want in sommige gevallen gaat hij wel degelijk op. Soms geeft meer kennis aanleiding tot een andere beslissing dan de eerdere, al is de eerdere beslissing legitiem tot stand gekomen. Zo werkt het in de wetenschap. Tot aan Lavoisier was de Phlogiston-theorie een heel redelijke verklaring voor ontbranding. Zo werkt het met toeschrijvingen in de kunstgeschiedenis, zie de 'nieuwe' Van Gogh. De toename van kennis zet soms met terugwerkende kracht de geschiedenis op zijn kop.
De ontwikkelingen in de wereld en in de wetenschap gaan zo snel dat een nog nabije tijd eigenlijk niet meer lijkt op de onze. Vergeef me het huiselijke voorbeeld, maar wie helpt zijn moeder nog maandag met het door de wringer halen van de was? Het huishouden wordt niet meer bestierd door moeders, maar door het gezin als collectief, want moeder en vader hebben beiden een baan, wasdag is variabel, een wringer bestaat niet meer. Mijn eerste schrijfmachine was een Remington uit de jaren dertig, waar je keihard op moest rammen. Totdat de tippex werd uitgevonden en aan zijn kortstondige bestaan begon, tikte je bij een fout overal x'jes doorheen, of draaide je een nieuw blad in de machine. Een kopie was een doorslag op carbon. Maximaal vier kopieen haalde je. Transport en communicatie waren vergeleken bij nu van een deerniswekkende arbeidsintensieve eenvoud. We liepen naar een telefooncel met een dubbeltje in de hand en maakten afspraken per briefkaart. Mijn kinderen kunnen zich niet meer voorstellen hoe dat was. Het nabije verleden is in menig opzicht erg ver weg. Goed, hou dat vast.

Een kijker van het programma Zomergasten, waarin ik een film uit 1952 van het nog steeds kale centrum van Rotterdam had getoond, meldde me dat hij ooit op een rommelmarkt voor een appel en een ei een schilderij van Rotterdam had gekocht. Het verbeeldde het intacte centrum en was gedateerd op 1942.  Ik mocht het hebben. Het is om eerlijk te zijn een niet erg hoogstaand maar toch aardig werkje voor de liefhebber. De schilder is zelfs in het Mariniersmuseum vertegenwoordigd met een doek. Het Rotterdamse centrum is waarschijnlijk geschilderd van een foto of uit het geheugen. In 1942 toen het puin koud was opgeruimd een daad van ontroerende nostalgie. Wat was de geschiedenis van het schilderij? Waar had het gehangen tussen 1942 en de dag dat het een bestemming vond op de rommelmarkt? Was het verdwenen en opeens weer opgedoken? Wie was de eigenaar geweest?  Mij lijkt dat het amateurschilderij de muur van de maker heeft gesierd en dat het na zijn dood met de rest van de boedel bij een opkopertje is terechtgekomen. Toch gaf het me te denken. Stel nu dat het een kostbaarder werk is, stel nu dat aan de achterzijde een veilingnummer staat met een datum van voor 1945? Of een Lironummer en stel dat ik niet weet wat een Lironummer is? Hoe weet ik dat ik moet gaan uitzoeken of het geen besmet schilderij is, geroofd, onder dwang verkocht door of aan de nazi's? En stel dat ik het wel weet maar als ik nou eens net zou doen of mijn neus bloedt omdat het zo’n verdraaid mooi schilderij is en ik het dolgraag wil houden, is mij dat dan te verwijten? Ja, ik denk van wel. Ik kan beter weten. Ik heb kennis van toen. Ik heb kennis van nu.

En degene die bij een particuliere transactie in 1948 bijvoorbeeld eigenaar werd van een fraai kunstwerk met de naam Goudstikker of Gutmann erop, kon die weten wat voor materiaal hij in huis haalde? Zoudt u als u morgen op een schilderij stuitte waarvan de herkomst niet tot achter de komma bekend was, alarm slaan? Ja, u wel. Inmiddels. Maar de rijkgeworden Russische oliemagnaat zonder enige kennis van kunst, zou die iets weten of zich iets aantrekken van de geschiedenis van een door hem begeerd object? Ik denk het niet. Slechte en domme mensen heb je altijd. Daar kun je geen dam tegen opwerpen.
Voor musea en verantwoordelijke verzamelaars ligt het heel anders. We weten nu veel meer dan net na de oorlog. Met de kennis en de mogelijkheden van nu, handelen we anders dan we toen gehandeld zouden hebben, dan men toen gehandeld heeft.

Kunst is een produkt van vrije geesten. Er zijn regimes die daarom een hekel hebben aan kunst en haar vernietigen. Het gevaar wordt bestreden door schoonheid te verbranden. Streng islamistische regimes vernietigen tempels, beelden, erfgoed. De Culturele Revolutie in het China van Mao was eropuit iedere subtiele verwijzing naar individualiteit, iedere connectie met het rijke verleden, iedere intellectuele omgang met kunst te verwijderen. De Russische Revolutie mondde uit in een systeem van verboden, verbanning, moord, en voorschriften voor de juiste kunst.
De nazi's waren een tikje anders. De Duitse cultuur, doordrenkt van schoonheid en troost, genereerde een ander soort totalitaire omgang met kunst. Kunst werd geroofd, in bezit genomen, opgeeist, gejat, zowel als waardevolle buit als om connaisseurschap en culturele belangstelling tentoon te spreiden. De kunst moest Göring en Hitler als het ware bevorderen tot de hoogste regionen van beschaving. Kunst en goede smaak rechtvaardigden de overige - abjecte -  ideeën van de nazi's. Wie van Breughel houdt kan geen ploert zijn. Wie Rembrandt een groot schilder vindt heeft ook op ander gebeid gelijk. De kampbeul luistert 's avonds naar Schubert met tranen in de ogen. Voor ons onverenigbare eigenschappen, en daarom zo vol verbazing telkens weer aangehaald. Cliché’s jazeker. Maar toch. Niet alleen treinen vol mensen maar ook karrevrachten kunst gingen van de bezette landen naar het Derde Rijk. De mensen om vernietigd te worden, de kunst om opgeslagen te worden voor later als het Duizendjarig Rijk geen tegenstand meer zou ontmoeten en de paleizen van leiders zouden schitteren van het zilver en de Rembrandts. Dat bleef niet onopgemerkt.

In 1943 installeerde president Roosevelt de American Commission for the Protection and Salvage of Artistic and Historic Monuments in War Areas. Die commissie weer initieerde een afdeling van het Amerikaanse leger, die ervoor moest zorgen dat cultureel erfgoed boven water kwam en naar de rechtmatige eigenaar terugkeerde. De Monuments Men.  Een vooruitziende blik, een prachtig initiatief. Een bewonderenswaardig opgezet project. Er kwamen meer kunstwerken terug uit Duitse gevangenschap dan mensen.

Nederland kwam berooid en hongerig uit de oorlog. Was tijdens de eerste bezettingsjaren het leven nog min of meer normaal doorgegaan, in de laatste maanden was de samenleving zeker in het westen van het land ontwricht door honger en gebrek. In 1945 was Europa een puinhoop. Natuurlijk hadden vooruitziende lieden zich geprepareerd op de bevrijding, maar is het eenmaal zover dan zijn de zaken niet meteen geregeld. Lichte anarchie, alles op de bon, zuivering, afrekening. Veel vragen. Welke gegevens zijn betrouwbaar, welke niet? Wie liegt, wie vertelt de waarheid? Wat is er gebeurd overal in het land, in Europa? Hoe pakken we de draad weer op? Waar zijn de buren gebleven, vrienden, buurtgenoten? Wie was verrader, wie zat in het verzet? Wie keek weg? Wie hielp? Er gaan geruchten. Mensen pasten op Joodse huizen, bedrijven, bezittingen, deden net of die aan hen waren afgestaan, of dat ze er eerlijk voor hadden betaald. Sommigen kwamen terug. Veel te veel Joodse families kwamen niet terug. Waren er nog ergens neven en nichten die het erfgoed konden opeisen? Wisten die erfgenamen uberhaupt dat ze rechten hadden?

Alles is onzeker. Het vege lijf redden, een nieuw leven opbouwen. Niet klagen, niet zeuren, niet in het verleden leven. Dat is de boodschap. De ontvangst van hen die uit de kampen terugkeerden was koel. Het prachtige werk van Gerhard Durlacher getuigt daarvan. Hij kon het pas in de jaren tachtig opschrijven. Iedereen was bezig met vergeten, wegstoppen, normaliseren, uit de weg gaan. O, heeft u in een kamp gezeten? Nou wij hebben het heel erg gehad in de hongerwinter. Nee, dat kastje heb ik van mijn tante geerfd. Ja, misschien hadden de Polakjes ook zo'n ding, maar waar dat is gebleven weet ik niet.

Met de kennis en het makkelijke morele gezag van nu spreken we daar schande van.

En dan komen er opeens al in 1946 vrachtauto's vol kunstwerken terug uit de zoutmijnen waar ze lagen opgeslagen. In beslag genomen, onder dwang verkocht, geroofd, gekregen, achterovergedrukt. Maar de geschiedenis ervan staat niet altijd op de achterkant geschreven. Over het altaarstuk van Jan van Eyck hoefde niemand te twisten, maar in heel veel andere gevallen was niet meteen duidelijk aan wie het werk toebehoorde of toekwam. En waar moeten we al die werken in godsnaam bewaren? En wie houdt er toezicht op? En hoe gaan we dat allemaal netjes administreren? Punctueel en precies als de Nederlandse ambtenarij vanouds en zeker onder de bezetter was: daar kwam toch geen snel en correct antwoord op. De geschiedenis is bekend. De medewerkers van de SNK hebben hun best gedaan, maar er schortte van alles aan. Er waren geen regels voor een fair and just restitutiebeleid. De leiding ging niet helemaal vrijuit. Er is gesjoemeld, er zijn fouten gemaakt, soms opzettelijk, soms onopzettelijk. De hebberigheid die in menig kunsthistoricus ontwaakte bij de gedachte dat voor een fraai werk geen eigenaar meer zou hoeven worden gevonden en de neiging om claims met grote achterdocht te behandelen vanuit diezelfde hebberigheid, is in het licht van de tijd begrijpelijk, maar dat ontslaat lateren niet van de plicht fouten recht te zetten.

De falende directie werd van zijn taak ontheven, een nieuwe directie trad aan en uiteindelijk was men halverwege de jaren vijftig klaar. De claims waren voor zover mogelijk afgewikkeld. De kunstwerken die geen bestemming hadden gevonden kregen een label en werden voorlopig aan musea afgestaan. En toen werd het een tijdje stil. Die lange stilte spoorde met de stilte rond veel oorlogsherinneringen. Pijn, verdriet, boosheid en ook schaamte stonden een openbare verwerking in de weg. Eerst snel weer een normaal leven opbouwen, zekerheden scheppen, voordat de hand in eigen of andermans boezem kon worden gestoken. Het was geen bewust proces, geen collectieve beslissing het zo te doen. Het gebeurde gewoon. Het zijn vaak de vragen van een volgende generatie die dwingen tot antwoord en inzicht.

Ingewikkelde trauma's gaan een lange weg van verwerking door verschillende generaties heen. Elke generatie zet een nieuwe, volgende stap. Je hoort bij bepaalde gelegenheden jongeren vaak vragen wat zij nu nog eigenlijk met de oorlog te maken hebben en waarom ze er uberhaupt mee zouden moeten worden geconfronteerd. Ook mijn generatie deed dat met een zekere mate van uitdaging in de jaren zestig.  Ik herinner me van die tijd dat het niet zozeer de oorlog was waar we niets meer van wilden weten als wel het versluierende en soms ronduit romantische verhaal dat over de oorlog werd verteld. We wilden weten hoe het zover had kunnen komen. Duitse jongeren van nu nemen afstand van schuld en boete en verantwoordelijkheid. Het is toch allemaal voorbij. Schrijvers van een nieuwe generatie vinden een nieuwe toon om over het verleden te spreken. In 'Er ist wieder da' voert Timur Vermen Hitler op die blijkt te zijn teruggekeerd en carriere maakt als televisiekomiek in Angela Merkels Duitsland, een zeer succesvolle satire, maar uiteraard een satire waar keurige critici de wenkbrauwen bij fronsen. Toch hoort het zo te gaan: iedere generatie schept zijn eigen beeld van het verleden. Stelt de eigen vragen. Geeft zelf een antwoord. Met de kennis van nu.

Verhalen van de oorlog zijn eerst levende herinneringen, worden vervolgens in de vorm van memoires en romans en kronieken vastgelegd en gaan dan langzamerhand over in mythen, sagen, legenden, en ja, dus ook satiren. De afstand tot het verleden groeit. Hebben de direct betrokkenen vaak een zekere gene gevoeld bij het claimen, zijn ze getekend door de oorlogservaringen en hebben ze de moed niet gehad zich strijdbaar op te stellen, volgende generaties kennen dat pijnlijke mengsel van moedeloosheid en geslotenheid niet. De pijn en de schaamte en de boosheid van de oudere, overleden generatie worden nu commercieel uitgebaat door advocatencollectieven, die business zien in de versteende geschiedenis. Dat geeft soms een bittere bijsmaak aan de rechtszaken.  

Maar goed, nog steeds zijn wij aan de beurt, de tweede generatie, die nog voldoende contact heeft met het nabije verleden, die nog voldoende kennis heeft van het naoorlogse verleden, die nog een morele plicht voelt om wat is fout gegaan en fout gedaan recht te zetten. Er is zoveel meer mogelijk. Het herkomstonderzoek dat door de musea is gedaan naar aanwinsten uit bepaalde perioden is ingewikkeld geweest, maar noodzakelijk. We zouden geen knip voor onze neus waard zijn als we die erfenis niet integer af zouden werken.

En het blijft actueel. De Tweede Wereldoorlog liet misschien een grootscheepse verhuizing zien van kunstwerken naar de holen van de nazi's, ook nu nog wordt op grote en kleine schaal geroofd en geplunderd waar een oorlogssituatie de maatschappij ontwricht. Er is een lijst opgesteld met voorwerpen die tijdens de oorlog in Syrie zijn ontvreemd. In het Art Loss Register worden zoveel mogelijk die kunstwerken geregistreerd die door oorlog of diefstal zijn verdwenen. Dat is kennis van nu. Er is geleerd van het verleden.

We kunnen ons niet meer achter onwetendheid verschuilen.
De oorlog is nooit voorbij.