Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Presentatie Rudi Ekkart

Presentatie Rudi Ekkart, 29 oktober 2013

 

Dames en heren,

Stelt u zich de volgende situatie voor. U hebt thuis een schilderij dat u hebt geèrfd van uw grootouders en waaraan u, onafhankelijk van de vraag of het nu een hoge of een lage geldelijke waarde heeft, zeer bent gehecht. Bij het opruimen van oude papieren komt u een brief tegen waaruit blijkt dat uw grootouders het schilderij in 1942 in bewaring namen voor hun joodse buren, die hun bezittingen moesten inleveren bij de LIRO-bank en dit schilderij liever in veiligheid brachten bij hun sympathieke buren. Na de oorlog zouden ze het weer ophalen en uiteraard zouden uw grootouders er in die tussentijd goed voor zorgen. Maar toen zo´n drie jaar later die oorlog inderdaad was afgelopen, kwam er niemand meer langs, want de buurman en de buurvrouw, evenals hun kinderen, waren omgebracht in een concentratiekamp.

Uiteraard duurde het geruime tijd voordat uw grootouders zeker wisten dat ze hun buren nooit meer zouden terugzien, maar toen die bevestiging kwam of toen zij door het uitblijven van verdere informatie wel moesten aannemen dat zij waren omgekomen, kwamen ze in een dilemma wat ze moesten doen. Ze wisten wel dat de buren nog broers en zusters hadden gehad, maar hoe die precies heetten en waar ze hadden gewoond, wisten ze ook niet, laat staan dat zij wisten of die broers en zusters de oorlog hadden overleefd. Wanneer dat het geval was, zou er misschien een van hen nog wel eens langskomen om te vragen naar het in veiligheid gebrachte bezit. In die tussentijd kon het schilderij maar het beste bij hen boven het dressoir blijven hangen.

Zo geschiedde en vele jaren later erfde u het schilderij zonder dat u het bijbehorende verhaal kende. Maar nu, bij het doorlezen van die oude brief, worden u de ogen geopend. En plotseling kijkt u heel anders aan tegen dat vertrouwde en geliefde schilderij. Er kriebelt een zeker onbehagen in u en u begint zich af te vragen of het eigenlijk wel van u is of dat het toebehoort aan de erfgenamen van de in de oorlog ompgekomen joodse buren van uw grootouders. Maar hoe kom je erachter wie dat zijn? En nog iets, want u hebt ook nog enkele schilderijen en een paar stukjes zilver geërfd van diezelfde grootouders. Zouden die misschien van diezelfde buren zijn geweest of waren die door uw grootouders gewoon bij een handelaar of op een vendue gekocht?

Dit soort gevoelens van onbehagen en onzekerheid leven ook bij de directeuren en medewerkers van Nederlandse musea en bij veel van hun buitenlandse collega´s. Volgens de ethische museumcode zijn zij zelfs verplicht om alle inspanningen te doen om te achterhalen of de stukken in de door hen beheerde collectie wel een legale herkomst hebben. Nu, al bijna 70 jaar na het einde van de oorlog is zoveel meer bekend geworden over wat er is gebeurd met het bezit van oorlogsslachtoffers en zijn er zoveel meer mogelijkheden om ontbrekende informatie aan te vullen, dat het wel laat is, maar zeker niet te laat om te proberen de onderste steen boven te krijgen en alsnog gerechtigheid te betrachten. Heeft het museum soms ook nog bezittingen van joodse landgenoten die het daar om veiligheidsredenen hebben ondergebracht, hebben onze voorgangers in het museum wellicht ooit objecten gekocht op een veiling waarop geconfiskeerd joods bezit te gelde werd gemaakt of zijn er in de loop der jaren, eventueel zelfs nog vrij recent, in goed vertrouwen kunstwerken verworven waarvan niet duidelijk is hoe ze in de jaren van het nazibewind van eigenaar zijn gewisseld?

Dames en heren, in 1997 bereikte de internationale aandacht voor het in de oorlogsjaren geroofde of onder druk verkochte kunstbezit een eerste hoogtepunt. De aandacht concentreerde zich in ons land toen allereerst op de zogenaamde NK-collectie, de kunstwerken die na de oorlog door de geallieerden uit Duitsland en Oostenrijk naar Nederland zijn teruggestuurd met de intentie dat de daarvoor in aanmerking komende kunstwerken zouden worden gerestitueerd naar rechthebbenden. Dat laatste was in veel beperktere mate gebeurd dan noodzakelijk was, zodat er nog meer dan 4000 werken met een veelal onduidelijke herkomstgeschiedenis in beheer van de staat waren. Een langdurig onderzoek per kunstwerk volgde en er werden nieuwe regels voor een rechtvaardig en doeltreffend regeringsbeleid ten aanzien van restitutie van kunstwerken opgesteld. Beide facetten samen leidden tot de teruggave van honderden kunstwerken, soms na een langdurige wereldwijde speurtocht naar de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaars. Alles bij elkaar heeft het project Herkomst gezocht tien jaar in beslag genomen.

Simultaan begon in 1998 op initiatief van de toenmalige hoofddirecteur van het Rijksmuseum, Ronald de Leeuw, en gecoördineerd door de Nederlandse Museum Vereniging een zelfonderzoek van musea naar hun verwervingen uit de oorlogsjaren 1940-1945 en uit de direct daarop volgende periode. Dit onderzoek werd grotendeels in 1999 afgerond met een naoogst in de daarop volgende twee jaar en leidde tot een aantal teruggaves dan wel speciale regelingen tussen musea en rechthebbenden.

Intussen groeide het besef dat deze inspanningen nog niet genoeg waren en dat er nog meer moest gebeuren. Op welke wijze verwierven de musea tussen in de jaren 1933-1940 kunstwerken en hoe zit het met de voorgeschiedenis van de kunstwerken die vanaf 1948 tot en met gisteren zijn verworven? Niet alleen in Nederland groeide de belangstelling voor een dergelijk breed onderzoek, ook in diverse van onze buurlanden ontstond die behoefte. Drukke samenspraak tussen een aantal partijen in het jaar 2008 leidde tot het huidige project dat begin 2009 van start kon gaan onder auspiciën van de Nederlandse Museum Vereniging, die van het Ministerie van OCW een speciale subsidie kreeg om het onderzoek te coördineren en ondersteunen.

Net als het onderzoek Museale Verwervingen 1940-1948 is ook dit project opgezet als een door de musea zelf uit te voeren onderzoek, waarbij binnen het museum de beschikbare hulpmiddelen, zoals het al dan niet geautomatiseerde inventarissysteem, de oude aanwinstenregisters, jaarverslagen, correspondentie en andere in aanmerking komende bronnen, zoals bijvoorbeeld aanduidingen op de achterkanten van schilderijen, dienden te worden geraadpleegd.

En om maar meteen de koe bij de hoorns te vatten, moeten we maar even stilstaan bij de eerste kritische vraag die ik regelmatig heb gehoord: is zelfonderzoek niet zoiets als de slager zijn eigen vlees laten keuren? Zoals sommige toehoorders misschien al hebben verwacht, is mijn antwoord daarop: nee. Of liever gezegd: het is niet hetzelfde als de willekeurige vleeshandelaar zijn eigen koopwaar laten keuren, maar wel als de kwaliteitsslager zijn eigen vlees laten keuren, want die kwaliteitsslager is er zelf op uit om alleen de beste kwaliteit te leveren en ervoor te zorgen dat in zijn bedrijf de zaken op orde zijn. De Nederlandse musea zijn, zo hebben de werkzaamheden van de afgelopen jaren wel bewezen, gelijk te stellen met die kwaliteitsslagers, die het keurmerk hoog in het vaandel voeren. Natuurlijk vindt niemand het leuk wanneer hij een stukje van zijn eigen koopwaar als ondeugdelijk moet kwalificeren, maar het is gelukkig maar al te duidelijk geworden dat de museumwereld zelf ook duidelijkheid wil krijgen over het eventuele oorlogsverleden van stukken uit de collectie. En mocht u nu denken dat ik een naïeve idioot ben, die veel te goed van vertrouwen is, zult u dadelijk nog wel begrijpen dat wij, ondanks onze overtuiging van de goede wil van de musea, ruim aandacht hebben besteed aan de herkeuring van de zelfkeuring. Daarom nu eerst terug naar de loop van het verhaal: hoe verliep dat allemaal.

De eerste stap was de presentatie van het gehele project aan de ledenvergadering van de Nederlandse Museum Vereniging. Dat leidde tot een overduidelijke instemming met de plannen. Toen vervolgens het onderzoek begin 2009 van start ging, hebben we eerst onze eigen organisatie op poten gezet en daarna een brief laten uitgaan naar de honderden Nederlandse musea, niet alleen naar de leden van de Nederlandse Museum Vereniging, maar ook naar de andere musea. In die brief nodigden wij ze uit deel te nemen aan het onderzoek en vroegen wij, indien ze redenen hadden om daaraan niet deel te nemen, ons daarvoor de argumenten te berichten. Grosso modo waren er daarbij vier plausibele argumenten:

Ten eerste: Het museum heeft sinds 1932 geen verwervingen gedaan, zoals bij voorbeeld Museum Bisdom van Vliet in Haastrecht, dat in 1923 werd gesticht door het legaat van huis en inboedel en waarvan de collectie sindsdien geen uitbreiding heeft ondergaan.
Ten tweede: De afwezigheid in de collectie van in aanmerking komende voorwerpen, zoals bijvoorbeeld het Arboretum Poortbulten in Enschede, waarvan de collectie bestaat uit ruim 2000 levende bomen en heesters.
Ten derde: Het museum bezit uitsluitend kunstwerken van na 1945, zoals bij voorbeeld De Pont in Tilburg
En ten vierde, het moeilijkste criterium, dat enige toelichting vergt, het museum heeft uitsluitend of vrijwel uitsluitend objecten zonder individuele herkenningswaarde. Een gesigneerd en gedateerd schilderij van bijvoorbeeld Jan van Goyen met een gezicht op Delft kan gemakkelijk worden herkend en hetzelfde geldt voor veel andere schilderijen, maar niet zozeer voor een schilderij dat we moeten omschrijven als een landschapje met een rivier in de trant van Jan van Goyen. Nog veel duidelijker is dat bij allerlei soorten objecten van toegepaste kunst: ceramiek en tegels, tinnen kandelaars en andere gebruiksvoorwerpen en noem verder maar op, werden in veelvoud gemaakt, waardoor een individueel object en zijn herkomst niet herkenbaar zijn. Hetzelfde geldt ook voor prenten en boeken. Tenzij er per ongeluk herkomstgegegevens aan zo’n object gehecht zijn of er een heel bijzonder aspect aan is, waardoor het herkenbaar is, is het reconstrueren van herkomsten daarbij onbegonnen werk.

Van de aangeschreven musea hebben er ruim 400 geantwoord dat zij niet meededen omdat hun gehele verzameling onder een of meer van deze groepen viel. Voor elk van die 400 instellingen hebben projectbureau en begeleidingscommissie op basis van de door het museum aangedragen gegevens en op basis van eigen kennis en op andere wijze verzamelde informatie getoetst of die conclusie juist moet worden geacht. De namen en argumenten van elk van die musea vindt u op de website. Er waren enkele musea, die meenden dat zij ook niet hoefden mee te doen, maar door de commissie vriendelijk doch dringend zijn uitgenodigd toch te participeren en aan die uitnodiging ook gevolg hebben gegeven.

Daardoor zijn er in totaal 162 musea die wel hebben deelgenomen, waarvan, ik zeg het er maar direct bij, twaalf om uiteenlopende redenen het onderzoek niet op tijd hebben kunnen afronden. Die redenen kunnen samenhangen met de gigantische omvang van het aantal aanwinsten sinds 1933, met organisatorische problemen als fusie en sluiting of met andere bijzondere omstandigheden. Een deel van deze twaalf instellingen heeft overigens wel al een deelrapportage ingezonden, die wij op de website publiceren en waarin soms ook al probleemgevallen zijn aangewezen. Met al deze musea zijn of worden bovendien heldere afspraken gemaakt voor welke datum zij hun resterende huiswerk zullen opleveren en in enkele gevallen van zeer omvangrijke collecties is dit zelfs nog een doorlooptijd van enige jaren.

Zoals gezegd, 162 musea hebben het onderzoek ter hand genomen en ik ben er trots op dat, ondanks de bij zovele instellingen manifeste tekorten aan mensen en middelen en de daaruit voortvloeiende werkdruk, de werkzaamheden zijn verricht met zoveel inzet en in vele gevallen zelfs ontembaar enthousiasme om nu eindelijk dit probleem eens grondig aan te pakken, enthousiasme ook regelmatig omdat de uitvoering van dit onderzoek de gelegenheid bood om nu eens grondig de museuminventaris met herkomstgegevens aan te vullen, een noodzakelijk iets dat steeds weer achterwege was gebleven. Aan de musea, en zeer in het bijzonder aan de vele zwoegers die het feitelijke werk hebben moeten verrichten, wil ik hier graag dank betuigen.

De deelnemers aan het onderzoek kregen vanuit het projectbureau grondige informatie over wat de bedoeling was, konden in 2009 deelnemen aan toen in verschillende regio’s georganiseerde voorlichtingsbijeenkomsten en in de jaren daarna aan diverse voortgangsbijeenkomsten en symposia waar zij hun ervaringen met die van collega’s konden delen en hun problemen op tafel konden leggen. Belangrijk gespreksonderwerp was daarbij uiteraard de vraag hoe musea met duizenden, tienduizenden of zelfs honderduizenden aanwinsten uit de periode 1933 tot heden, binnen de beschikbare mogelijkheden een dergelijke taak konden uitvoeren.
Belangrijk hulpmiddel was daarbij het vinden van een systeem om de zojuist al als niet te onderzoeken categorieën objecten uit te sluiten en de volle energie te richten op de collectiedelen, waarvoor het onderzoek ook met vrucht kon worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld de schilderijen.

Nog veel belangrijker dan de bijeenkomsten was de steun vanuit het projectbureau, waarop de musea telkens konden terugvallen. Juist omdat deskundige ondersteuning voor veel musea een noodzaak was, is een belangrijk deel van de subsidie, die het Ministerie van OCW heeft verstrekt, bestemd geweest voor de financiering van die ondersteuning. Het projectbureau, bestaande uit Helen Schretlen en Jona Mooren, de laatste gedurende gedurende een aantal maanden vervangen door Geerte Broersma, ondersteund door de onderzoeksmedewerkers Sophie Olie en Margot van Kooten en door de inzet van diverse medewerkers van de NMV, heeft bergen werk verzet, eerst om musea, indien dat nodig was, op de goede weg te helpen, daarna wanneer er vragen of tussenrapportages kwamen, door met de musea mee te kijken en veelal ook door bij moeilijke problemen zelf onderzoek uit te voeren. En in veel gevallen waren ook een of meer leden van de begeleidingscommissie daarbij betrokken.

Ik kom hier nog even terug bij de vraag of het er niet op lijkt of wij de slager zijn eigen vlees hebben laten keuren. De nauwe wisselwerking tussen museale onderzoekers en projectbureau maakt al duidelijk dat de vinger voortdurend aan de pols gehouden is en dat er voortdurend mogelijkheden waren om musea die eventueel meenden zich wat al te gemakkelijk van de aangenomen taak af te maken, weer bij de les te halen. Die heilzame wisselwerking betekende dat in het stadium waarin musea hun eindrapport indienden, er al heel veel heen en weer gepraat was, dat er voorlopige lijsten van problemen waren gemaakt, dat daarbij actief onderzoek op centraal niveau was verricht en dat het eindrapport slechts de kroon op het werk was. Niettemin, elk eindrapport moest de instemming van de begeleidingscommissie krijgen en twee leden van de commissie namen alle rapportages nog eens integraal door om aan de voltallige commissie een pre-advies te kunnen voorleggen. En dat was geen wassen neus, want een hoeveelheid eindrapportages is in eerste instantie niet door de commissie heengekomen en pas na door de commissie gewenste aanvulling en verbetering alsnog goedgekeurd.

Kortom, de eindresultaten die er liggen zijn geen fopspenen, maar resultaten van gedegen onderzoek, al moeten we wel vaststellen dat er verschillen in kwaliteit en volledigheid zijn, niet alleen doordat sommige musea veel meer hebben gedaan dan we redelijkerwijs van ze mochten eisen, maar ook doordat de hoeveelheid aanwezig bronnenmateriaal per museum verschilt. In een museum waar men vroeger nauwelijks aandacht heeft besteed aan het correct vastleggen van verwervingsgegevens, laat staan van eerdere herkomsten van objecten, stuit zelfs de ijverigste medewerker van nu op grote, niet meer in te vullen hiaten in de kennis over het verleden van de museumcollectie. In de op de website geplaatste samenvattingen van de rapportages is waar nodig gewezen op significante gebreken in het beschikbare basismateriaal en daarmee tevens op het verhoogde risico dat er problemen in de herkomst van museumobjecten volledig onopgemerkt zijn gebleven.

Voor alle musea gold dat zij een eindrapport moesten aanleveren waaruit duidelijk wordt op welke wijze het onderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij daarnaast gedetailleerde gegevens moesten aanleveren over werken, die als verdacht moeten worden bestempeld of waarover vooralsnog onopgeloste vragen zijn gerezen. In de rapportages wordt daarnaast vaak verwezen naar objecten waarop eerder claims zijn uitgebracht en die al dan niet inmiddels door een restitutie of door een afwijzing door de Restitutiecommissie bekend zijn. Die gevallen zijn niet opnieuw individueel opgenomen, aangezien het onderzoek gericht was op het vinden van nieuwe eventuele problemen.

In de wandeling zijn twee categorieën objecten samengebracht onder de titel “mogelijk problematische werken”, maar het zijn in wezen wel twee verschillende soorten problemen. In de eerste categorie, iets minder dan de helft van het totaal aantal werken, praten we over kunstwerken, waarvan tijdens het onderzoek duidelijk is geworden dat zij deel hebben uitgemaakt van collecties of handelsvoorraden van personen, die door roof, confiscatie of gedwongen verkoop van hun bezittingen zijn beroofd en waarbij dus een grote kans en soms zelfs zekerheid bestaat dat ook deze stukken op een dergelijke manier in andere handen zijn overgegaan. Soms hebben we al achterhaald wie de erven zijn van die vroegere eigenaren en zijn die, als daarvoor al gelegenheid was, door de betreffende musea op de hoogte gesteld van de gedane vondsten. In andere gevallen is er nog een speurtocht nodig om die erven te vinden of, zo hopen wij, zullen die erven door de huidige publicatie op het internet attent worden gemaakt op deze stukken en zelf contact opnemen.

Daarnaast zijn er de kunstwerken waarvan de ons bekende gegevens ernstige vragen oproepen, maar waarvan we helemaal niet zeker zijn of ze inderdaad ooit zijn geroofd, geconfiskeerd of onder dwang verkocht. In elke collectie zijn er tal van kunstwerken waarvan de herkomstgeschiedenis onvolledig is, zoveel dat we bij volledige publicatie daarvan door de bomen het bos niet meer zouden zien. Er is daarom uit de bestanden kunstwerken met onvolledige herkomst een selectie gemaakt van die werken waarbij er extra indicaties zijn dat er mogelijk iets mis is, bijvoorbeeld doordat zij in de oorlogsjaren zijn opgedoken bij een verzamelaar of handelaar, die wel vaker duistere praktijken heeft uitgevoerd, of doordat zij in de eerste naoorlogse periode in beslag zijn genomen omdat ze door de Duitse bezetters waren achtergelaten of kwamen uit geconfiskeerd bezit van landverraders, of omdat alles er op wijst dat ze kunnen behoren tot de door joodse eigenaren aan de zorgen van een vriend of buurman toevertrouwde stukken, die nooit zijn opgehaald. Bij al die stukken kunnen we dus niet zeggen of er werkelijk iets mis is, maar zijn er voldoende redenen om ermee naar buiten te treden in de hoop dat reacties van derden meer informatie opleveren om helderheid te krijgen.
Uit beide categorieën samen levert de website nu 139 objecten uit 42 verschillende musea, die een probleem of een mogelijk probleem zijn. Enkele problemen waren al bekend door het museumonderzoek van vijftien jaar geleden, maar het merendeel is geheel nieuw en het resultaat van de in de afgelopen jaren door de musea geleverde inspanningen.

Voordat ik ga afsluiten wil ik nog twee vragen kort beantwoorden. De eerste is: betekent dit alles dat er buiten die 139 stukken geen enkel ander claimbaar object in de Nederlandse musea is? Het antwoord is, kunt u zich voorstellen, nee. Vooral bij de stukken met zeer onvolledige herkomsten kan er iedere dag nieuwe informatie opduiken die alsnog ernstige verdenkingen oproept. Maar om eerlijk te zijn, ik denk dat we de meeste evidente problemen nu wel in kaart hebben gebracht.

De tweede vaak opduikende vraag is: zijn de musea nu klaar? Ook daarop is het antwoord een hartgrondig nee. Zojuist zei ik al iets over nieuw opduikende gegevens: elk museum heeft tot taak om bij elk nieuw brokje informatie dat over de herkomst van hun objecten boven water komt kritisch te kijken of dat wellicht ook gevolgen heeft voor een eventuele claimbaarheid. En uiteraard moeten museaum, zoals gelukkig vele al doen, bij elke nieuwe aanwinst de herkomstgeschiedenis terdege onderzoeken en zonodig zelfs van verwerving afzien wanneer die ernstige vragen oproept. En dat alles zal doorgaan, zolang als de kwestie restitutie Tweede Wereldoorlog internationaal op de agenda blijft staan.

Dames en heren, de musea hebben hun verantwoordelijkheid genomen en onderzoek verricht en zij zijn ook zelf verantwoordelijk voor de afhandeling van de problemen die daarbij boven water zijn gekomen. Wij als begeleidingscommissie en bureau gaan niet op de stoel van de musea zitten en wij oordelen uiteraard ook niet over de vraag of eventuele claims terecht zijn of niet. Onze taak was om zo veel mogelijk objectief geselecteerde en betrouwbare informatie boven water te krijgen, zodat desgewenst vervolgstappen gezet kunnen worden.

Voor stukken uit de rijkscollectie geldt dat eventuele claims automatisch zullen worden voorgelegd aan de Restitutiecommissie, terwijl bij claims op kunstrwerken van andere eigenaren, lagere overheden of particuliere stichtingen, beide partijen samen kunnen bezien of zij de kwestie ondershands willen afwikkelen of dat zij er samen voor kiezen om de zaak voor een bindend advies voor te leggen aan de Restitutiecommissie, die de ervaring en wijsheid heeft om te komen tot een rechtvaardige en juiste oplossing waarin het belang van alle betrokken partijen wordt meegewogen. Op die manier kan ook nu, 68 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, alsnog gerechtigheid geschieden ten aanzien van museumobjecten, die vroegere eigenaren vaak op wrede wijze afhandig zijn gemaakt.