Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Richtlijnen Onderzoek

Richtlijn Museale Verwervingen vanaf 1933

De Commissie Museale Verwervingen heeft de richtlijn, zoals opgesteld naar aanleiding van het museumonderzoek (1999) over de periode 1940-1948, voor het huidige onderzoek overgenomen en waar nodig geactualiseerd. Met de richtlijn wil de Museumvereniging de Nederlandse musea voor de duur van het onderzoek, dat wil zeggen tot en met 2013, een handreiking bieden voor de omgang met museale voorwerpen van twijfelachtige herkomst, met name voorwerpen die na 1933 zijn verhandeld dan wel zijn verworven. De richtlijn geeft aan hoe om te gaan met deze voorwerpen die reeds in bezit zijn van musea, maar ook met toekomstige verwervingen en bruiklenen, zowel uit binnen- als buitenland.

Met betrekking tot toekomstige verwervingen kan de richtlijn gezien worden als een praktische aanvulling op de Ethische Code voor Musea (2006), die – enkele aanpassingen daargelaten – een vertaling is van de ICOM Code of Professional Ethics van 1986 (opnieuw onderschreven in 2004). Hierin wordt onder meer de eis gesteld dat aanwinsten voorzien moeten zijn van een deugdelijk bewijs van herkomst en dat het museum een onderzoeksplicht naar de herkomst heeft (art. 2.20).

De richtlijn heeft betrekking op die museale voorwerpen die na 1933 van bezitter zijn gewisseld. Het kan zijn dat reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voorwerpen door joodse eigenaars en eigenaars uit andere vervolgde groepen onder druk zijn verkocht, dan wel afkomstig zijn uit geconfisqueerd of geroofd bezit. Het onderzoek richt zich in de periode 1933-1940 op verwervingen met een Duitse, of vanaf 1938, ook met een Oostenrijkse herkomst.

Ook na de oorlog kunnen dergelijke voorwerpen in musea terecht zijn gekomen. Er circuleren nog steeds objecten met mogelijk onduidelijke herkomsten op veilingen, in de handel en bij particulieren.  

De richtlijn heeft betrekking op museale voorwerpen waarbij de oorspronkelijke eigenaars onvrijwillig bezitsverlies hebben geleden. Tot onvrijwillig bezitsverlies worden naast de situatie waarin door de eigenaars niet is meegewerkt aan het bezitsverlies, ook die gevallen gerekend waarin wel zodanige medewerking is verleend die echter tot stand kwam onder dwang, bedreiging of onbehoorlijke invloed vanwege het naziregime.

De richtlijn heeft geen betrekking op aanspraken waarvoor in het verleden reeds een regeling is getroffen of enige vorm van rechtsherstel heeft plaatsgevonden. Slechts indien zich in een specifiek geval nieuwe feiten voordoen die het rechtsherstel van destijds in een ander daglicht zetten, is heroverweging geboden.

In het geval een (vermeende) rechthebbende aanspraak maakt op een museaal voorwerp moet bedacht worden dat juridisch gezien sprake kan zijn van verjaring. De redactie van de ter zake van aanspraken geldende richtlijn is echter zo gekozen dat in zeer bijzondere en/of schrijnende gevallen, in afwijking van een strikt juridische benadering, zo nodig recht gedaan kan worden aan verplichtingen van moraal en fatsoen.

Waar mogelijke claims niet in onderlinge overeenstemming kunnen worden afgehandeld, voorziet de minister van OCW in de mogelijkheid de geschillen voor bindend advies voor te leggen aan de in 2002 ingestelde Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, de Restitutiecommissie.

Als het museum niet zelf eigenaar is van de collectie of onderdelen daarvan, maar deze voor een ander (bijvoorbeeld de staat) beheert, dienen de in de richtlijn voorziene maatregelen in nauw overleg met deze eigenaar getroffen te worden. 

I  Bestaande collecties

  1. Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van alle bij het museum in beheer zijnde museale voorwerpen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat op welke wijze de voorwerpen vanaf 1933 zijn verhandeld dan wel verworven.
  2. Van alle museale voorwerpen wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek. De geregistreerde gegevens zijn op verzoek ter inzage voor alle belangstellenden tenzij redenen van privacy dwingen tot selectieve vrijgave van informatie.
  3. Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een museaal voorwerp stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen. Hoe sterker de aanwijzingen zijn, hoe groter de inspanning is die het museum moet verrichten.
  4. Het museum meldt alle gevallen waarbij er gerede twijfel over de herkomst bestaat aan de Museumvereniging, waarbij het project Museale Verwervingen is ondergebracht.
  5. Indien komt vast te staan dat de herkomst elementen bevat die duiden op een onrechtmatige en/of discutabele verhandeling dan wel verkrijging in de betreffende periode neemt het museum, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval, de noodzakelijke maatregelen om tot een redelijke en billijke beslissing te komen over de vraag wat er met het object moet gebeuren.
  6. In het geval dat de oorspronkelijke eigenaar(s) of zijn rechtsopvolgers onbekend zijn, doet het museum alles wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om de identiteit van deze personen te achterhalen.
  7. In het geval van een claim van derden ten aanzien van museale voorwerpen die in de betreffende periode zijn verhandeld dan wel verworven, zal het museum na melding van de claim bij de Museumvereniging een nader onderzoek instellen en conform het gestelde onder I.5 tot een uitspraak komen c.q. samen met de claimant de zaak voor bindend advies voorleggen aan de Restitutiecommissie.

II  Verwervingen

  1. Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van museale voorwerpen die het door koop, schenking, legaat of anderszins in beheer wil krijgen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat of de voorwerpen  die na 1933 zijn verworven, op rechtmatige wijze zijn verhandeld.
  2. Van alle museale voorwerpen die nieuw zijn verworven, wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek.
  3. Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een te verwerven voorwerp, gezien de betreffende periode, stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen.
  4. In het geval onduidelijkheid blijft bestaan over de herkomst en er daarenboven gerede twijfel is over het verblijf of bezit van het voorwerp dat na 1933 is verworven, ziet het museum, onder vermelding aan de aanbieder van de redenen, af van het verkrijgen van het voorwerp.

III  Bruiklenen

  1. Het museum streeft ernaar geen museale voorwerpen in tijdelijk bruikleen te nemen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is en er geen rechtsherstel heeft plaatsgevonden in de zin van het bepaalde onder I.5.
  2. Bij bruikleenaanvragen van museale voorwerpen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is, wijst het museum de bruikleenaanvrager op deze omstandigheid.