Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Voormalig onderzoek 1940-1948

naar onderzoeksoverzicht

Voorheen bekend als

Volkenkunde, Museum voor

Willemskade 253016 DMRotterdam

Reactie Museum

Het Museum voor Volkenkunde heeft een aanwinstenlijst over de periode 1940-1948 opgesteld. Het museum bericht dat de verwervingen van het museum uit de jaren 1940-1948 in opdracht van de Gemeente Rotterdam zijn onderzocht door dr. A.J. Bonke. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport De herkomst van de aanwinsten van de Rotterdamse gemeentemusea 1940-1948 (juni 1998).

Het betreffende rapport bevat een aanwinstenlijst van het museum over de periode 1940-1948. Deze lijst heeft betrekking op aankopen, schenkingen en bruiklenen. Eventuele bewaarnemingen zijn niet in de lijst opgenomen. Bij het herkomstonderzoek is uitgegaan van de jaarverslagen en het archief van het Museum van Land en Volkenkunde (gedeponeerd bij het Gemeentearchief Rotterdam). Daarnaast is gebruik gemaakt van de gegevens uit het databestand van het museum.

Joods bezit

Als punt van aandacht wordt in het onderzoeksrapport gewezen op een aankoop in 1943 van twee vijzels van een Joodse eigenaar. Over de omstandigheden van deze verwerving zijn geen gegevens bekend. Verder wordt opgemerkt dat in 1942 een houten huisaltaar aan het museum in bruikleen is gegeven door een Joodse eigenares. De betrokkene is vermoedelijk het slachtoffer geworden van de Jodenvervolging. Na de oorlog is het voorwerp door de erfgenamen van de bruikleengever teruggevraagd, en in 1947 aan hen geretourneerd.

Dr. Bonke deelt mede dat bij het herkomstonderzoek geen aankopen van de bezetter of daarmee samenwerkende instanties zijn aangetroffen.  

Notities

Bruiklenen uit Joods bezit

Op 6 juni 1942 liet het Museum voor Land- en Volkenkunde aan het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming weten dat het geen voorwerpen van Joodse eigenaars in bruikleen had (zie paragraaf 4.3, ‘Het Rijksfonds voor de aankoop van Joods bezit’).[214] Van het bovengenoemde houten huisaltaar wordt in de betreffende brief geen melding gemaakt.