Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Voormalig onderzoek 1940-1948

naar onderzoeksoverzicht

Voorheen bekend als

Rijksmuseum Amsterdam

Stadhouderskade 421071 ZDAmsterdam

Reactie Museum

In aansluiting op een intern vooronderzoek door mr. K. Schoemaker, Hoofd Stafbureau Collecties van het museum, heeft het Rijksmuseum in de zomer van 1998 herkomstonderzoek laten verrichten door een externe onderzoeker, mevrouw drs. E. Muller. Gezien het grote aantal verwervingen in de periode 1940-1948 (circa 3559 inventarisnummers), behelsde de onderzoeksopdracht geen diepteonderzoek voor elk van de toenmalige aanwinsten. Gekozen werd voor een algemene inventarisatie, die overging in een analyse op objectniveau zodra er enige aanwijzing werd aangetroffen dat het een mogelijk problematische verwerving betrof. Hierbij lag de nadruk op eventuele aanwinsten uit door de bezetter geconfisqueerd of geroofd Joods bezit. Bij het onderzoek is onder meer gebruik gemaakt van inventarisboeken, jaarverslagen, en het archief van het Rijksmuseum (waaronder de boekhouding met betrekking tot de verwervingen, zoals nota’s en afrekeningen).[119] Ter aanvulling van de aldus verkregen gegevens is incidenteel gebruik gemaakt van bronnenmateriaal uit andere archieven (zie hiervoor hoofdstuk 2). Tevens is informatie ontleend aan de reeds bestaande literatuur, zoals diverse bestandscatalogi en deelstudies.[120]

Het Rijksmuseum heeft een uitdraai gemaakt van het collectiebeheersysteem met betrekking tot de aanwinsten uit de periode 1940-1948. Deze lijsten bevatten de aankopen, schenkingen, legaten en bruiklenen uit de genoemde periode. Daarnaast is er een aparte lijst van aankopen uit de oorlogsperiode samengesteld, door vergelijking van de gegevens uit het collectiebeheersysteem met informatie uit inventarisboeken en archiefmateriaal. Deze lijst is alfabetisch gerangschikt op naam van de verkoper.

Onderzoeksresultaten

Het herkomstonderzoek wees uit dat er in de oorlogsperiode in zeker zes gevallen door of ten behoeve van het Rijksmuseum collecties en objecten zijn verworven, die afkomstig waren uit door de bezetter geconfisqueerd Joods bezit. Van vijf van deze verwervingen kon worden vastgesteld dat het geen ‘vergeten zaken’ betrof: de betreffende kwesties zijn na de bevrijding afgehandeld. Ten aanzien van de zesde verwerving uit Joods bezit zijn geen gegevens over een eventuele naoorlogse afwikkeling aangetroffen. Het betreft een tekening van Theophile de Bock (afb. 1) waarvan de herkomstgeschiedenis herleid kan worden tot de Liro-bank (zie hieronder). Deze aankoop vormt voor het Rijksmuseum een belangrijk punt van aandacht.

Bij het onderzoek werd tevens geconstateerd dat er enige aandachtspunten zijn die in aanmerking zouden komen voor een eventuele vervolgstudie. Het betreft voor de oorlogsperiode met name de aankopen bij ‘verdachte’ firma’s en het onderwerp van de bruiklenen en bewaarnemingen. Voor de naoorlogse periode betreft het vooral de verkrijgingen uit gerecupereerd kunstbezit, en de verwerving van goederen uit door de overheid onder beheer gestelde vermogens in Nederland.

Het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’

Vier van de zes bovengenoemde aankopen van Joods bezit zijn bekostigd uit het Rijksfonds voor ‘Aankoop van voorwerpen van cultureel belang uit voormalig Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst’, dat tijdens de oorlog op initiatief van het dowk was ingesteld (zie paragraaf 4.3). Het betreft de volgende gevallen:

  1. De belangrijkste collectie die in de oorlog uit het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’ werd gefinancierd was afkomstig van een Joodse bankier uit Amsterdam. De betreffende persoon was een verwoed kunstverzamelaar die in de loop der jaren een bijzondere collectie porselein bij elkaar had gebracht. Een deel van deze collectie nou bevond zich als bruikleen of bewaarneming bij diverse musea. Bij het Rijksmuseum waren aanvankelijk slechts enkele stukken ondergebracht. In juli 1942 zou dit veranderen: na overleg tussen het DOWK en de Duitse autoriteiten kreeg de betrokkene opdracht om zijn verzameling op naam van de Liro-bank (Sarphatistraat) in bewaring te geven bij het Rijksmuseum. Het betrof een collectie die, naast porselein, ook bestond uit antiek zilver, gobelinkussens en enige schilderijen. Na lange onderhandelingen met diverse betrokken instanties, is de verzameling in 1944 door het dowk aangekocht voor de Staat der Nederlanden voor een bedrag van f 412.875, -.[121] De eigenaar van de collectie verklaarde zich accoord met de transactie, en sloot een geheim gentleman’s agreement met het dowk waarin verklaard werd dat na de oorlog niet zou worden teruggekomen op dit besluit. Na de oorlog werd binnen het Ministerie van OKenW onderkend ‘dat het zeer de vraag is, of ook [dit] gentleman’s agreement .. niet door den Raad [voor het Rechtsherstel] vernietigd kan worden, aangezien deze onder pressie der bijzondere omstandigheden tot stand is gekomen’.[122] Op de nota waaruit deze passage afkomstig is, staat echter in de kantlijn aangetekend dat de voormalige eigenaar de eerder gesloten overeenkomst graag gestand deed. In een brief van 9 april 1946 schreef de betrokkene aan D. Röell, de nieuwe directeur van het Rijksmuseum: ‘Ingevolge Uw wensch deel ik U bij dezen mede, dat ik volkomen accoord ga met den verkoop tijdens de bezetting van mijn collecties aan den Staat der Nederlanden, alsmede met de voorwaarden, waaronder dit is geschied’.[123] In 1946 is de betreffende de collectie officieel door de Staat overgedragen aan het Rijksmuseum.

  2. Een tweede aankoop uit het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’ betrof een grote collectie Delfts aardewerk (met name tegels). Deze verzameling bevond zich als bruikleen in het Rijksmuseum. Tijdens de oorlog schreef het Rijksmuseum aan het DOWK dat het afstaan van deze unieke verzameling een verlies zou betekenen dat in geen jaren meer zou zijn goed te maken. De zoon van de bruikleengeefster was op de hoogte van de pogingen om de verzameling in Nederland te houden, en stond hier positief tegenover. Het museum overlegde met het DOWK over de mogelijkheden tot verwerving van de collectie.[124] De uiteindelijke transactie vond plaats in juni 1944: de Liro-bank droeg de verzameling Delfts porselein aan het Rijksmuseum over voor f 26.128, de waarde die de firma Mak van Waay aan de collectie had toegekend. Voor de aankoopsom werd ook in dit geval geput uit het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’.[125] Na de oorlog deed de vroegere bruikleengeefster aanspraak gelden op de betreffende verzameling. Er volgden lange onderhandelingen, waarbij door beide partijen de mogelijkheid werd onderzocht om een gedeelte van de verzameling aan het Rijksmuseum te laten en het overige deel aan de voormalige eigenares ter beschikking te stellen. Toen de betrokkene in 1955 overleed, besloten haar drie kinderen om de verzameling (behoudens enkele stukken) aan het museum te schenken.[126]

  3. Sinds juli 1938 had het Rijksmuseum een achttiende-eeuws wandtapijt in bruikleen van een Joodse zakenman die tijdens de oorlog in New York verbleef.[127] De Verwalter (beheerder) die door de bezetter over zijn vermogen was aangesteld, wendde zich in februari 1943 tot het Rijksmuseum met de vraag of er belangstelling bestond voor de verwerving van het tapijt. Het museum kreeg toestemming van het DOWK om het wandtapijt te kopen voor een bedrag van f 20.025, –. De kosten kwamen ten laste van het begrotingsartikel ‘Aankoop Joodsch bezit’.[128] Het aankoopbedrag werd op naam van de Joodse eigenaar bij de Rijnsche Handelsbank N.V. gestort, maar is niet aan hem ten goede gekomen. Na de bevrijding maakte de betrokkene aanspraak op het tapijt, dat hem in 1947 in New York zou worden toegestuurd.[129] In 1955 verkocht de eigenaar het stuk aan het Rijksmuseum, waar het zich momenteel bevindt.

  4. Op 18-21 juli 1944 werd een collectie uit Joods bezit geveild door de firma Frederik Muller & Co., in opdracht van de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co. (Spiegelstraat). Bij deze verkoop kocht het Rijksmuseum uit de betreffende verzameling twee Louis XV fauteuils, een Louis XVI kinderfauteuiltje en een wijnglas.[130] Het departement stond toe dat de koopsom werd verhaald op het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’, dat omwille van deze aankoop verhoogd werd met een bedrag van f 21.000, -.[131] Bij het archiefonderzoek werd een document aangetroffen, waarop is aangetekend dat de betrokken familie de collectie na de bevrijding niet terug wenste[132]. De betreffende voorwerpen maken deel uit van de huidige museumcollectie.

Andere aankopen uit Joods bezit

Naast de vier bovengenoemde zaken zijn bij het onderzoek nog twee andere verwervingen uit Joods bezit aangetroffen. Eén van de twee kwesties is na de oorlog afgewikkeld; ten aanzien van de andere aankoop zijn hierover geen gegevens gevonden. Het betreft de volgende gevallen:

  1. Op de veiling van Frederik Muller & Co. van 2-5 december 1941 werden elf gravures aangekocht voor het Rijksprentenkabinet. De oorspronkelijke eigenaar van deze prenten was een Joodse bankier die in mei 1940 was overleden.[133] De kunstwerken waren ter veiling gebracht door de Verwalter (beheerder) die door de bezetter over het vermogen van de overledene was aangesteld. In een rapport van de geallieerden uit 1944 wordt over deze verkoop vermeld dat ‘the brother of the deceased prompted his Dutch friends to bid in at the auction to save some of the items for the heir and to raise prices’.[134] Door tussenkomst van een makelaar en taxateur die vaker kunst aankocht voor het Rijksmuseum, werden op deze veiling elf prenten van Berkenboom en Teyler verworven. Na de oorlog zijn de betreffende stukken teruggekocht door de dochter en enige erfgename van de voormalige eigenaar.[135]

  2. In augustus 1943 verkocht de bovengenoemde makelaar en taxateur een kunstwerk van Theophile de Bock (afb. 1 [CAPTION: Theophile de Bock, Een groep bomen op de berm van een weg tekening, 278 x 204mm. Inv. nr. RP-T-1943-36 Rijksmuseum Amsterdam foto Rijksmuseum-Stichting Amsterdam]) aan het Rijksmuseum. Het betrof een krijt-tekening van ‘Boerenwoningen met een boschje op de voorgrond’, die afkomstig was van een veiling van de Amsterdamse firma Mak van Waay in mei 1943.[136] Onderzoek in het archief van Mak van Waay wees uit, dat het betreffende kunstwerk op de veiling was ingebracht door de Liro-bank. Hierop is vervolgonderzoek ingesteld om te achterhalen door wie de tekening bij deze firma is ingeleverd. Tot dusverre is daarover echter geen informatie gevonden.

Bij het herkomstonderzoek zijn geen andere aankopen van door de bezetter geconfisqueerd Joods bezit aangetroffen. Wel kan worden opgemerkt dat het Rijksmuseum in de oorlog diverse voorwerpen heeft verworven van veilinghuizen en kunsthandels die in de bezettingstijd onder meer in beslag genomen Joodse eigendommen hebben verkocht. Het is niet gezegd dat het ook bij de museumaanwinsten om Joods bezit ging, maar met de mogelijkheid dient rekening te worden gehouden. Het probleem hierbij is, dat lang niet altijd achterhaald kan worden hoe de verkopende instanties zelf aan de te koop aangeboden objecten zijn gekomen. Het archiefmateriaal van het Rijksmuseum maakt hiervan slechts sporadisch melding, en de archieven van de betrokken veilinghuizen, kunsthandelaars en particulieren zijn vaak ontoegankelijk, onvindbaar, vernietigd of te weinig gedetailleerd om de vraag naar de voormalige eigenaars te beantwoorden. Desalniettemin zou vervolgstudie wellicht nog nieuwe informatie kunnen opleveren.

Poging tot aankopen bij de Liro-bank

Bij het onderzoek bleek dat tijdens de oorlog door het dowk en enkele musea pogingen zijn ondernomen tot verwerving van een aantal bij de Liro-bank aanwezige kunstwerken.[137] Rond november 1942 verzocht het departement aan waarnemend hoofddirecteur Henkel van het Rijksmuseum om samen met D. Hannema en J.G. van Gelder een overzicht op te stellen van bij de Liro-bank ingeleverde kunstwerken die van belang konden zijn voor het nationaal kunst- bezit.[138] Er werd een bezoek aan de firma gebracht, waarbij 33 kunstwerken werden geselecteerd die voor de Nederlandse musea in aanmerking zouden komen. Het Rijksmuseum had interesse voor vijftien van deze stukken.[139] De Duitse autoriteiten keurden de aankoop van de kunstwerken goed, met uitzondering van vijf stukken van Joodse schilders. Op 1 juni 1943 machtigde het dowk het Rijks- museum tot verwerving van de voorwerpen. De directie mocht bij de aankoop ongeveer f 17.000, – besteden en kon de koopsom verhalen op het begrotings- artikel ‘Aankoop Joodsch bezit’.[140] In een later stadium zouden andere musea bepaalde stukken van het Rijksmuseum kunnen overnemen.

Tot enig resultaat heeft de machtiging echter niet geleid. Het Rijksmuseum schreef een brief naar de Liro-bank om te informeren naar de verkoopprijs van de kunstwerken, maar lijkt geen antwoord te hebben gekregen.[141] Bij een bespreking tussen het dowk en de Liro-bank van een jaar later, werd duidelijk wat er was gebeurd. Dr. Hannema had te kennen gegeven dat hij voor Nederland slechts twee stukken van belang achtte: een portret van Jan van Riebeek door A. Hanneman en een Frans portret van een jongeman. De Liro-bank had vervolgens de overige kunstwerken aan andere belangstellenden verkocht. Het Rijksmuseum heeft aan het bezoek aan de Liro-bank geen kunstwerken overgehouden.[142]

Schenkingen

Tijdens de oorlog is de collectie van het Rijksmuseum verrijkt door tal van schenkingen en legaten, waaronder enkele zeer belangrijke collecties.[143] Bij het herkomstonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is geweest van schenkingen of legaten van door de nazi’s geconfisqueerd Joods bezit. Hierbij kan worden aangetekend, dat doorgaans onbekend is hoe de schenkers de objecten zélf in bezit hebben gekregen.

Opmerkenswaard is, dat in zeker één geval een pro forma schenking aan het Rijksmuseum heeft plaatsgevonden. In 1941 schonk een particuliere eigenaar een hoeveelheid schilderijen, tekeningen en Egyptische oudheden aan het museum, onder het voorbehoud ‘geen ruchtbaarheid aan deze schenking te geven, op geenerlei wijze, alvorens twee jaren verloopen zijn’.[144] Uit een aantekening op het betreffende dossier blijkt dat ‘de verzameling aan het R.M. [was] ‘geschonken’ om in beslagneming door de Duitsers te voorkomen’. De collectie is na de oorlog aan de rechthebbende teruggegeven. Het kan niet worden uitgesloten dat er indertijd nog meer schijnschenkingen hebben plaatsgevonden. Wellicht is de aanwijzing ‘dit dossier moet vernietigd worden’, die op het bovengenoemde dossier is genoteerd en weer is doorgekrast, in andere gevallen wél opgevolgd.

Bruiklenen en bewaarnemingen

Op 2 juni 1942 verzocht het DOWK het Rijksmuseum om opgave te doen van de Joodse eigendommen die als bruikleen in het museum waren ondergebracht. Het museum liet weten dat er zich acht collecties in het museum bevonden die aan deze omschrijving voldeden.[145] Daar kwamen nog twee verzamelingen bij, toen in 1942 met toestemming van de Duitse autoriteiten twee bewaarnemingen uit Joods bezit in het Rijksmuseum werden ondergebracht.[146] Het lot van vier van deze collecties is reeds uitvoerig besproken in het kader van de aankopen uit het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’. Geconstateerd werd, dat de vier betreffende zaken na de bevrijding in overleg met de betrokkenen zijn afgehandeld. De andere aan het departement opgegeven verzamelingen zijn, voor zover kon worden nagegaan, allen veilig de oorlog door gekomen en na de oorlog aan de eigenaars of hun erven geretourneerd (behoudens enkele aan het museum geschonken stukken). Alleen het lot van een tinnen Seider schotel is onbekend. Dit voorwerp was in bruikleen gegeven door iemand van wie het museum niet zeker wist of zij ‘volgens de wet te beschouwen is als arisch of Joodsch’.[147]  Het voorwerp is niet meer aanwezig in de huidige collectie van het Rijksmuseum.

Naast de Joodse eigendommen maakte de bezetter op grond van verordening no. 26/1940 tevens aanspraak op zogeheten ‘vijandelijk vermogen’. In het kader van een registratie van de DOWK, deelde het Rijksmuseum op 6 juli 1940 aan het departement mede dat het vier bruiklenen had die als zodanig konden worden aangemerkt.[148] De betreffende kunstwerken zijn door de bezetter uit het museum weggehaald, maar konden na de bevrijding op één uitzondering na worden gerecupereerd en teruggegeven aan de rechthebbenden. In 1941 dook nog de naam van een vijfde bruikleengever op in de correspondentie van het museum. Het verdere lot van deze bruikleen, enkele sciopticonglazen uit de achttiende eeuw, is onbekend.

Het is onduidelijk in hoeverre de overzichten van het Rijksmuseum ten aanzien van de bruiklenen uit Joods bezit en vijandelijk vermogen volledig waren. Het kan niet worden uitgesloten dat het Rijksmuseum destijds bewust zekere collecties uit de opgaven heeft weggelaten, en dat het uit veiligheidsoverwegingen terughoudend was met informatie over bepaalde bruiklenen en/of bewaarnemingen. Eventuele vervolgstudie zou hierover aanvullende gegevens kunnen opleveren.

Naoorlogse verwervingen

Als punt van aandacht ten aanzien van de naoorlogse periode, kan gewezen worden op vele uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken die op uiteenlopende wijzen in het Rijksmuseum zijn terechtgekomen - als bruikleen, overgedragen kunst, aankopen en zelfs schenkingen. Onder deze voorwerpen bevinden zich vele stukken die in de oorlog vrijwillig door kunsthandelaars aan de bezetter zijn verkocht, maar mogelijk ook onder dwang verkochte of door de bezetter geconfisqueerde goederen. Het betreft hier een complexe materie die (behoudens enkele deelcollecties) buiten het onderzoek van het Rijksmuseum in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 is gebleven. Zoals in de inleiding van dit rapport vermeld werd, verricht het bureau ‘Herkomst Gezocht’ onderzoek naar de voorwerpen uit de NK-collectie (zie hoofdstuk 2 en paragraaf 4.8). Het is echter niet uit te sluiten dat in het Rijksmuseum ook voorwerpen uit gerecupereerde kunstbezit aanwezig zijn waar geen NK-nummer aan is toegekend, waardoor deze buiten het herkomstonderzoek van het bureau Herkomst Gezocht zouden vallen.

Tot slot kan er op gewezen worden dat het Rijksmuseum in de periode 1945-1948 ook voorwerpen heeft verworven die afkomstig zijn uit na de oorlog door de overheid onder beheer gestelde vermogens in Nederland. Van de tot dusverre geconstateerde gevallen kon slechts een gedeelte van de herkomstgeschiedenis worden achterhaald. Eventuele vervolgstudie zou hierover aanvullende gegevens kunnen verschaffen en brengt mogelijk soortgelijke verwervingen aan het licht.  

Aanvullende reactie

De eigenaren van de tekening Theophile de Bock (afb 1 in Museale Verwervingen 1940-1948) hebben zich naar aanleiding van de publicatie gemeld en de tekening is inmiddels teruggeven.