Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Voormalig onderzoek 1940-1948

naar onderzoeksoverzicht

Reactie Museum

Het Joods Historisch Museum neemt, binnen het totaal van museale instellingen in Nederland, als beroofde Joodse instelling een bijzondere positie in. Nadat het in 1940 zijn deuren had moeten sluiten, werd het museum in 1943 door de Duitse bezetter opgeheven en werd de collectie door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (E.R.R.) in beslag genomen en naar Duitsland gevoerd. De administratie en het archief gingen vermoedelijk verloren. Na de oorlog kon de collectie slechts gedeeltelijk uit Duitsland worden gerecupereerd: vooralsnog wordt verondersteld dat het hier gaat om slechts 150 van de circa 550 in beslag genomen voorwerpen.

In 1947 nam een klein aantal mensen het initiatief tot de wederopbouw van het museum. Nadat er nieuwe huisvesting was gevonden en de in omvang sterk gereduceerde collectie in voldoende mate met nieuwe aanwinsten was aangevuld, kon het museum in 1955 worden heropend. Het museum is onlangs gestart met een onderzoek naar de eigen geschiedenis. Doelstelling is onder meer het inzicht krijgen in de opbouw van de voor- en naoorlogse collectie.

Vooroorlogse bruikleen

Het museum meldt als punt van aandacht, dat het in februari 1998 is benaderd door een nakomeling van een particuliere verzamelaar die in 1931-1932 vijftig voorwerpen aan het museum in bruikleen had gegeven. De betrokkene verzocht om een financiële vergoeding voor de destijds in bruikleen gegeven voorwerpen, en liet weten prijs te stellen op de teruggave van één of twee kleine voorwerpen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het museum, in overleg met onder andere de Inspectie Cultuurbezit te Den Haag, een grondig archiefonderzoek ingesteld. Het onderzoek is uitgevoerd door mevr. drs. J.M. Cohen, conservator van het museum. Het primaire doel van de navorsingen was vast te stellen welke voorwerpen uit de vooroorlogse bruikleen deel uitmaken van de huidige museum-collectie, en na te gaan of de betreffende objecten nog steeds de status van bruikleen bezitten, of daarentegen inmiddels eigendom van het museum zijn geworden.

Geschiedenis van de bruikleen.

In 1931-1932 ontving het museum vijftig voorwerpen in bruikleen van de genoemde particuliere verzamelaar. Van de vooroorlogse bruikleen waren in 1941 nog 49 objecten in de collectie aanwezig; één van de vijftig voorwerpen werd vóór 1941 teruggegeven. In 1943 is de museumcollectie zoals reeds vermeld door de E.R.R. in beslag genomen. Bij het recente onderzoek zijn inventarislijsten uit het begin van de jaren veertig gevonden, waarop de in beslag genomen voorwerpen zijn gemarkeerd. Op deze lijsten konden 28 voorwerpen worden geïdentificeerd die vermoedelijk uit de bovengenoemde bruikleen uit 1931-1932 afkomstig waren. Vier van deze 28 voorwerpen komen voor op een lijst die betrekking heeft op eigendommen in plaats van bruiklenen van het museum. De juistheid van deze vermelding kan echter in twijfel worden getrokken, gezien de uitzonderlijke omstandigheden waaronder de inventarislijsten tot stand zijn gekomen. Een gedeelte van de in beslag genomen voorwerpen is na de oorlog uit Duitsland teruggevoerd naar Nederland. De aangetroffen lijsten van gerecupereerde voorwerpen zijn echter te weinig gedetailleerd om zekerheid inzake aantallen te verkrijgen. Een aantal voorwerpen uit genoemde bruikleen werd bovendien (samen met een aantal andere voorwerpen uit de vooroorlogse collectie) in de jaren tachtig aangetroffen in Kasteel de Haar te Haarzuilens.[117] Het is niet bekend hoe en wanneer deze voorwerpen daar terecht zijn gekomen. Deze voorwerpen maken overigens sindsdien weer deel uit van de collectie van het Joods Historisch Museum.

Bestudering van de huidige collectie van het Joods Historisch Museum heeft uitgewezen, dat zich hierin vijftien van de 49 voorwerpen bevinden waarvan zeker is dat deze afkomstig zijn uit de bruikleen uit 1931-1932.

Status van de bruikleen

De eigenaar van de betreffende bruikleen is overleden op 15 mei 1940. In de akte van boedelscheiding van zijn nalatenschap, opgemaakt in januari 1941, werd bepaald dat de bruikleen zonder te worden verdeeld in het ‘Joodsche Museum’ zou blijven. De bruikleengever had zijn beide kinderen bij testament tot zijn enige erfgenamen benoemd, waardoor de betreffende voorwerpen na zijn dood automatisch toevielen aan zijn twee zoons. Deze erfgenamen hebben de oorlog echter niet overleefd.

In 1970 informeerden familieleden van de oorspronkelijke bruikleengever of de bruikleen nog in het Joods Historisch Museum aanwezig was. Naar aanleiding van deze vraag heeft het museum destijds onderzocht of de betreffende verzameling nog de status van bruikleen had, of dat deze inmiddels eigendom van het museum was geworden. De voorwerpen zijn daarna in het museum gebleven. In 1998 is de kwestie opnieuw aan de orde gesteld door een nakomeling van de oorspronkelijke bruikleengever. De betrokkene vroeg zich af wat er met de bruikleen was gebeurd. Het Joods Historisch Museum heeft daarop opnieuw een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot de conclusie dat de voorwerpen uit de bruikleen van 1931-1932 die nog aanwezig zijn in de huidige museumcollectie, mogelijk de status van bruikleen hebben behouden.

Overige bruiklenen

Het museum heeft, naast de hierboven besproken bruikleen, in de vooroorlogse periode nog andere voorwerpen in bruikleen ontvangen. De aanwezige documentatie wijst uit dat het merendeel van deze bruiklenen waarschijnlijk reeds aan de eigenaren is geretourneerd vóór de confiscatie van de museumcollectie in 1943. Dit lijkt echter niet voor alle bruiklenen te gelden. Bij het archiefonderzoek zijn lijsten aangetroffen met diverse particuliere bruiklenen die bij de confiscatie in 1943 zijn weggevoerd. Het kan niet worden uitgesloten dat een gedeelte van deze voorwerpen na de oorlog naar Nederland is teruggevoerd, en wellicht aanwezig is in de huidige museumcollectie.

Vervolg

Ten aanzien van de bruikleen uit 1931-1932 meldt het museum dat deze kwestie in het bestuur van het Joods Historisch Museum wordt besproken.  

Aanvullende reactie

Het bestuur van het museum heeft besloten de vijftien voorwerpen waarvan zeker is dat deze afkomstig zijn uit de bruikleen van 1931-1932 aan de nakomeling van de particuliere verzamelaar over te dragen.