Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Voormalig onderzoek 1940-1948

naar onderzoeksoverzicht

Reactie Museum

Het college van B & W van Den Haag heeft in december 1998 aan de gemeentearchivaris verzocht om onderzoek te verrichten naar de collectievorming van het Haags Gemeentemuseum tijdens en de teruggave van voorwerpen na de Tweede Wereldoorlog. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport Herkomst & restitutie. Verslag van het onderzoek naar de collectievorming van het Haags Gemeentemuseum voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog en de afwikkeling in de na-oorlogse jaren (Den Haag, april 1999) van drs. D. Brongers en drs. Ph. Maarschalkerweerd.

Over het onderzoek

Het onderzoek beslaat de periode 1935-1950. Het eerste jaar is gekozen in verband met de kunstcollecties die Joodse families in Duitsland onder druk van de omstandigheden ter veiling hebben gebracht. De keuze voor 1950 is ingegeven door het feit dat de teruggave van in het museum ondergebrachte particuliere collecties na de oorlog geruime tijd in beslag heeft genomen.

Bij het herkomstonderzoek is gebruik gemaakt van bronnenmateriaal van de relevante archiefvormers, van literatuuronderzoek en van mondeling verstrekte informatie van direct betrokkenen bij de vroegere collectievorming van het museum. Het Gemeentemuseum Den Haag heeft menigmaal aanvullende informatie verstrekt ten behoeve van het herkomstonderzoek.Tevens is medewerking verleend door het Bureau Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit en door de onderzoeker van de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948.

Het onderzoek werd bemoeilijkt door het feit dat de administratie van de museale aanwinsten in de periode 1935-1956 te wensen overliet. De toenmalige registratie van verwervingen bleek chaotisch en deels onbetrouwbaar.

Aankopen

Ten aanzien van de aankopen van het museum in de periode 1935-1950 vermeldt het bovengenoemde onderzoeksrapport enkele punten van aandacht.

Het betreft onder meer de aankoop van een aquarel van J. Bosboom bij de firma Van Marle en Bignell in 1940 (zie voor deze firma ook paragraaf 4.4). Uit archiefonderzoek is gebleken dat dit kunstwerk mogelijk afkomstig was van een veiling uit een zogeheten Nachlassverwaltung, dat wil zeggen een onder beheer gestelde erfenis die door de bezetter werd beschouwd als vijandelijk vermogen. Opmerkelijk genoeg staat de aquarel in het stamboek van het museum niet ingeschreven als een aankoop, maar als een bruikleen die in 1942 aan de particuliere eigenaar is teruggegeven. De aquarel bevindt zich niet meer in de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag.

Een ander punt van aandacht vormt de aankoop van twee voorwerpen door het museum bij het Berlijnse veilinghuis HW. Lange in 1937. Het betrof een bekerschroef uit 1642 en een schaaltje uit de 13e of 14e eeuw, die afkomstig waren uit de nalatenschap van de Joodse verzamelaar Emma Budge. De betreffende aankopen kunnen als mogelijk problematisch worden aangemerkt: de mogelijkheid bestaat dat de collectie door de erven van Emma Budge onder druk van de omstandigheden is geveild, en dat de opbrengst van de veiling niet aan de rechthebbenden is toegekomen.[173] Het kan niet worden uitgesloten dat het Haags Gemeentemuseum vaker voorwerpen heeft aangekocht op veilingen van Joodse eigendommen in Duitsland. Zo heeft het museum in 1936 mogelijk voorwerpen aangekocht op de veiling bij Julius Bohler uit de 'jüdische Sammlung Margarethe Oppenheim'.[174]

Schenking

Bij het onderzoek werden archiefstukken aangetroffen waaruit blijkt dat het Haags Gemeentemuseum vlak voor de bevrijding een hoeveelheid voorwerpen ten geschenke heeft ontvangen van de Sicherheitspolizei. Het was indertijd bekend dat de voorwerpen afkomstig waren uit een in beslag genomen inboedel van een particuliere eigenaar uit Den Haag. Vlak na de bevrijding zijn de betreffende voorwerpen aan de rechthebbenden geretourneerd.

Bewaarnemingen

In de oorlogsjaren heeft het Haags Gemeentemuseum meer dan 186 collecties in bewaring gehad. Bij het onderzoek werd geconstateerd dat het museum er destijds bewust voor heeft gekozen om Joodse bewaarnemingen voor de bezetter te 'camoufleren', bijvoorbeeld door een deel ervan op andermans naam te administreren.

Reeds op 31 mei 1945 verzocht het Haags Gemeentemuseum het Algemeen Nederlandsch Persbureau om een bericht te plaatsen waarin de eigenaars van bewaarnemingen werden opgeroepen om zich tot het museum te wenden. Ondanks de inspanningen van het museum is de teruggave van deze collecties na de oorlog moeizaam en traag verlopen. Dit was te wijten aan tal van praktische complicaties van een opzettelijk achterhouden van bezit van derden is bij het onderzoek niets gebleken.Waarschijnlijk is het merendeel van de in bewaring gegeven voorwerpen uiteindelijk teruggekeerd bij de rechthebbenden. Aanvullend archiefonderzoek per collectie zou hierover meer duidelijkheid kunnen bieden.

Bruiklenen

Hoeveel bruiklenen er tijdens de oorlog precies in het museum aanwezig waren, is onbekend. Er zijn in het archief dermate weinig bruikleenformulieren aangetroffen, dat gevreesd moet worden dat het desbetreffende deel van de administratie verloren is gegaan.

Wel is bij het onderzoek archiefmateriaal achterhaald over enkele bruiklenen van Joodse eigenaars. Op 2 juni 1942 verzocht het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (DOWK) het Haags Gemeentemuseum om een overzicht van bruiklenen uit Joods bezit (zie ook paragraaf 4.3). Hierop zond het museum het departement op 16 juni 1942 een lijst van negen collecties van Joodse eigenaars.[175] Opgemerkt dient te worden, dat het in vier gevallen om bewaarnemingen in plaats van bruiklenen ging. Het is onduidelijk waarom de vier betreffende collecties in het overzicht waren opgenomen, terwijl andere bewaarnemingen van Joodse eigenaars onvermeld bleven. Ook ten aanzien van de bruiklenen uit Joods bezit is de lijst overigens incompleet: in minstens één geval is een waardevolle collectie van een Joodse eigenaar buiten de voor het departement bestemde lijst gehouden.

Uitvoerig is onderzocht of de negen collecties van Joodse eigenaars na de oorlog aan de rechthebbenden zijn teruggegeven. Van een aanzienlijk deel van de betreffende voorwerpen kon worden vastgesteld dat deze aan de (erven van de) eigenaars zijn geretourneerd, ofwel door de rechthebbenden aan het museum zijn geschonken.Toch is dit niet voor alle objecten komen vast te staan. In een aantal gevallen is geen enkele documentatie aangetroffen over de naoorlogse afwikkeling betreffende de bruikleen of bepaalde voorwerpen daaruit. Ook werden aantekeningen gevonden die doen vermoeden dat een aantal van de in bruikleen gegeven objecten na de bevrijding onvindbaar waren, en/of tijdens de oorlog waren gestolen. Het nog lopende vervolgonderzoek tracht hierin meer helderheid te scheppen.

Aangekochte bruikleen

Één van de negen bovengenoemde verzamelingen vraagt om een uitvoeriger toelichting. Het betreft een collectie bestaande uit schilderijen, aquarellen en een hoeveelheid Chinees porselein, die in 1940 door een Joodse eigenaar uit Den Haag aan het museum in bruikleen werd gegeven. Op 7 juni 1944 werd het museum door de Liro-bank, die op grond van Verordening 58/'42 over de betreffende collectie kon beschikken, in de gelegenheid gesteld om de verzameling aan te kopen voor het taxatiebedrag van f28.710, -. Ondanks de waarde die de verzameling voor de museumcollectie kon hebben, sloeg het museum 'uit finantieele redenen' het aanbod tot aankoop af.[176] Vervolgens is de collectie aangekocht door het DOWK, uit het Rijksfonds voor Aankoop van voorwerpen van cultureel belang uit voormalig Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst'. Aan het Gemeentemuseum werd verzocht om de voorwerpen tot nader bericht voor de Staat in bewaring te houden.

In december 1946 is de betreffende collectie door het museum overgedragen aan de zoon van de bruikleengever. Het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OK&W) kapittelde de museumdirecteur over deze afgifte, aangezien voor het rechtsherstel nog verschillende formaliteiten nodig waren. Deze formaliteiten zouden daarna nog de nodige tijd in beslag nemen, onder meer doordat men het binnen het Ministerie moeilijk eens konden worden over de te volgen aanpak.Tenslotte is de koopovereenkomst tussen de Liro-bank en de Staat der Nederlanden op 15 maart 1948 nietig verklaard, bij vonnis van de Afdeling Recht- spraak van de Raad voor het Rechtsherstel. De erven van de oorspronkelijke bruikleengever cedeerden hun vordering van f 28.710,- op de Liro-bank aan de Staat.

Verkoop

Tijdens de bezetting heeft het Haags Gemeentemuseum diverse keren voorwerpen uit de eigen collectie verkocht. Een opmerkelijk voorbeeld vormt de verkoop van enige metalen voorwerpen. De betreffende objecten zijn vermoedelijk in 1941 door een rechercheur bij verschillende eigenaars in beslag genomen, en in 1942 door een inspecteur van politie ondergebracht in het museum. Later heeft het museum de collectie (uitgezonderd een cloissonné-vaas) met toestemming van de betreffende inspecteur van politie verkocht. Na de bevrijding verklaarde de toenmalige museumdirecteur zich bereid om de eigenaars van de verkochte voorwerpen schadeloos te stellen. Het cloisonné-vaasje is geen onderdeel van de huidige collectie.

Ontvreemding

Tijdens de oorlog is een onbekend aantal voorwerpen uit de museumcollectie en uit particuliere verzamelingen ontvreemd door derden. Het museum heeft zich na de oorlog ingezet om de claims van de eigenaars van ontvreemde bewaarnemingen en bruiklenen bij de verzekeringsmaatschappijen te ondersteunen.

Vervolg

De Commissie Cultuur van de gemeenteraad van Den Haag heeft in mei 1999 vastgesteld dat in het rapport Herkomst en restitutie een aantal zaken wordt genoemd die verder onderzocht dienen te worden en die om een vervolgactie vragen. Derhalve is in juni 1999 aan het Gemeentemuseum en het Gemeentearchief gezamenlijk verzocht om een vervolgstudie te verrichten. Dit onderzoek zal zich richten op enkele in het rapport Herkomst en restitutie naar voren gebrachte punten van aandacht, en op de controle en vervolmaking van de bestaande catalogus van de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag ten aanzien van de collectievorming in de periode 1935-1956.

Aanvullende reactie

Het museum heeft twee rapportages opgestuurd: Vervolgonderzoek Herkomst en restitutie en Tweede vervolgrapportage Herkomst en restitutie. Het totale onderzoek zal eind 2000 afgerond zijn; de conclusies zijn naar verwachting in januari 2001 beschikbaar. ln het themanummer van Jong Holland, 'Kunst en de Tweede Wereldoorlog" mei 2001 (nr. 2) zal een artikel over het onderwerp verschijnen van de hand van drs. D. Brongers, hoofd collecties van het Haags Gemeentearchief en leider van het onderzoek.