Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Voormalig onderzoek 1940-1948

naar onderzoeksoverzicht

Reactie Museum

Het Centraal Museum heeft de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 kopieën toegezonden uit de inventarisboeken en jaarverslagen over de genoemde periode. Mevrouw C.S.M. van Rossum, collectiemedewerker van het museum, heeft in overleg met de commissie grondig archiefonderzoek verricht naar diverse verwervingen uit de genoemde periode.

Aankopen

Een punt van aandacht vormde de aankoop van een aantal kunstwerken bij veilinghuizen waarvan bekend was of vermoed wordt dat deze tijdens de oorlog onder meer geconfisqueerd Joods bezit hebben verhandeld.

Van een verwerving bij de firma Mak van Waay te Amsterdam in 1942 kon bij nadere studie worden vastgesteld, dat het betreffende voorwerp niet door de Liro-bank ter veiling is gebracht. Van een hoeveelheid kunstwerken die bij de firma Paul Brandt te Amsterdam zijn aangekocht, is niet bekend aan wie deze vóór de veiling toebehoorden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de betreffende voorwerpen afkomstig waren van Joodse eigenaars.

Aankopen bij de Liro-bank

In februari 1945 heeft het Centraal Museum drie collecties uit Joods bezit aangekocht die zich als bruikleen respectievelijk als bewaargeving in het museum bevonden (zie ook paragraaf 4.3). Na de oorlog zond de directeur van het Centraal Museum, Jkvr. dr. Carla H. de Jonge, een brief met bijgevoegd rapport over deze verwervingen aan de burgemeester van Utrecht.[217] Zij deelde mede dat het DOWK op 2 juni 1942 aan het museum had gevraagd om opgave te doen van Joodse vermogenswaarden. Hieraan had het museum gehoor gegeven, vanuit het vertrouwen dat het DOWK alles in het werk zou stellen om het Joods bezit uit handen van de bezetter te houden. Toen dit in november 1942 niet langer mogelijk bleek, had het departement weten te bewerkstelligen dat de musea de belangrijke stukken tegen getaxeerde prijzen konden verwerven. Dr. de Jonge benadrukte dat zij steeds pogingen had gedaan om de aankopen zo lang mogelijk uit te stellen, waardoor de aankoopmachtigingen van de Commissaris der Provincie uiteindelijk pas in januari 1945 beschikbaar waren. Op 7 februari 1945 werden aangekocht:

  1. Een verguld zilveren nautilus uit de zeventiende eeuw, voor een bedrag van f 2500, -. Dr. de Jonge merkte in haar rapport op dat zij tijdens de oorlog voortdurend in contact heeft gestaan met de Joodse eigenaar van dit voorwerp, die haar handelswijze inzake deze bruikleen goedkeurde. De koopsom voor het betreffende voorwerp is aan de eigenaar ten goede gekomen. Na de bevrijding verlangde hij het voorwerp niet terug.

  2. Een gedeelte van een onverdeelde boedel die in bewaring was bij het museum, voor een bedrag van f 4115, -. Het betrof een collectie porselein en enige schilderijen. In overleg met de notaris die het beheer over de boedel voerde, werd een deel van deze collectie door het museum aangekocht. Hierbij werd overeengekomen dat de erfgenamen de collectie na de oorlog zouden mogen terugkopen, indien zij dat wensten. Na de bevrijding bleek dat de koopsom nooit terecht was gekomen bij de Liro-bank aan de Sarphatistraat te Amsterdam, maar per abuis aan een andere instelling was overgemaakt. Aangezien de aankoop feitelijk niet had plaatsgevonden, kon de gehele collectie kosteloos aan de erfgenamen van de vroegere eigenares worden overgedragen. De erven schonken uit erkentelijkheid een deel van de porseleinverzameling aan het museum.

  3. Twee schilderijen van de kunstenaar Paulus Moreelse uit 1610, voor een bedrag van f 1500, -. De erfgenamen van de bruikleengever stelden zich na de oorlog op het standpunt dat het museum onnodig en onverantwoordelijk had gehandeld door deze kunstwerken aan te melden als Joods bezit. Dr. de Jonge beriep zich daarentegen op haar pogingen om de schilderijen uit handen van de bezetter te houden. Na de bevrijding bleek ook de koopsom voor deze aankoop niet bij de Liro-bank aan de Sarphatistraat te Amsterdam terecht te zijn gekomen, maar bij vergissing aan een andere instelling te zijn overgemaakt (zie boven). Hierdoor had de aankoop in feite niet plaatsgevonden, en konden de schilderijen in augustus 1945 aan de familie van de eigenaar worden teruggegeven.

Metaalvordering

Bij bestudering van de inventarisboeken van het museum valt op, dat het museum in 1942 twee voorwerpen heeft verworven die waren ‘overgenomen uit den kopervoorraad, gespaard van de metaalinlevering’ (zie paragraaf 4.6). Het betrof een stoof en een strijkijzer uit de negentiende eeuw. Het is onbekend aan wie deze voorwerpen hebben toebehoord vóór de inlevering.

In het jaarverslag van het museum uit 1942 wordt gemeld dat een gedeelte van de ingeleverde koperen voorwerpen niet aan de bezetter afgegeven behoefde te worden, wanneer hiervoor een tegenwaarde in koper beschikbaar werd gesteld. Het betrof voorwerpen die als ‘volkskunst’ konden worden beschouwd. Dergelijke stukken werden uit het hele land bijeengebracht op de zolder van de Fundatie van Renswoude te Utrecht. Op 6 en 7 juli 1942 werden Nederlandse musea in de gelegenheid gesteld om voorwerpen uit deze voorraad te kopen. Hiervan is zo ruim gebruik gemaakt, dat alles is verkocht. Ook het Centraal Museum heeft klaarblijkelijk van deze mogelijkheid tot aankoop gebruik gemaakt: de beide bovengenoemde voorwerpen zijn verworven op 7 juli 1942.

Bewaarnemingen

Het Centraal Museum bood tijdens de oorlog aan particulieren de mogelijkheid om tegen betaling kunstvoorwerpen onder te brengen in de bomscherfvrije kelders van het museum. Dit heeft het museum aanzienlijke winst opgeleverd, waarvan jaarlijks een deel in het zogeheten Museumfonds werd gestort voor de aankoop van kunstwerken.[218] Bij het archiefonderzoek is een naamregister aangetroffen van de 145 bewaarnemingen van het Centraal Museum in de periode 1940-1945.

In het register wordt onder meer een bewaarneming van de Nederlandsche Israëlitische Gemeente vermeld. De vraag of deze collectie na de bevrijding aan de rechthebbenden is geretourneerd, kon positief worden beantwoord: reeds op 15 mei werd de verzameling in goede orde terugontvangen. Hiervoor werd een bewaarloon van f 472,50, – gerekend. De Nederlandsch Israëlitische Gemeente verzocht de Gemeente Utrecht in 1946 of het dit bedrag mocht terug ontvangen, omdat de collectie in het museum was ondergebracht ter bescherming tegen roof door de bezetter. Jkvr. dr. Carla H. de Jonge was evenwel van mening dat ‘de Ned. Isr. Gemeente evenzeer als alle particulieren geprofiteerd heeft van de geboden veiligheid, zowel tegen roof als tegen bominslag, waarvoor de Gemeente zich aanvankelijk grote kosten heeft getroost, die door particulieren zouden worden vergoed.’[219] B en W van Utrecht wezen het verzoek van de Nederlandsch Israëlitische Gemeente af.[220]

Ateliers van Joodse kunstenaars

Bij het herkomstonderzoek is tevens aandacht besteed aan de vraag of er in de museumcollectie mogelijk kunstwerken terecht zijn gekomen die afkomstig zijn uit geplunderde ateliers van Joodse kunstenaars. Bij raadpleging van het archiefmateriaal uit de periode 1940-1948 is van dergelijke aanwinsten niets gebleken.