Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

Conclusie

'Uiteraard draagt dit verslag een voorlopig karakter, omdat ongetwijfeld allerlei gebeurtenissen gedurende den bezettingstijd niet te onzer ooren zijn gekomen, terwijl veel van wat geschied is... nog niet kon worden achterhaald'. Dit schreef J.K. van der Haagen van het Minister van OKenW in april 1945, in een rapport dat gewijd was aan de roerende kunstschatten in Nederland ten tijde van de oorlog. Meer dan vijftig jaar na dato staat dit onderwerp opnieuw in het centrum van de belangstelling. Vanuit verschillende geledingen van de Nederlandse samenleving zijn recentelijk iniatieven ontplooid die erop gericht zijn om de nog immer bestaande hiaten in onze kennis waar mogelijk aan te vullen.

Binnen de museumwereld concentreerde de aandacht zich vooral op het eigen functioneren in de oorlogsperiode en de eerste jaren erna. Meer in het bijzonder werd de vraag gesteld in hoeverre de herkomst van de museale verwervingen uit dit tijdvak reden gaf tot zorg. Om hier inzicht in te verschaffen werd in maart 1998 door enkele grote Nederlandse musea het iniatief genomen tot het landelijke project 'Museale Verwervingen 1940-1948'. Een commissie onder voorzitterschap van prof. drs. R. de Leeuw riep alle leden van de Nederlandse museumvereniging op om middels van een grondig zelfonderzoek na te gaan of er in de periode 1940-1948 sprake was geweest van discutabele of problematische aanwinsten.

Het overgrote deel van de leden van de NMV bleek bereid om bij te dragen aan wat de commissie beschouwde als een maatschappelijke en morele taak van de Nederlandse museumwereld. In de anderhalve jaar die zijn verlopen sinds maart 1998, is door de deelnemers aan het zelfonderzoek een niet geringe hoeveelheid aan informatie bijeen gebracht. Veel van deze gegevens werden door de musea met moeite opgediept uit de al bijna vergeten dossiers en archiefstukken, en moesten bevochten worden op de vaak onvolledige registratiesystemen uit het verleden. Het geeft de commissie voldoening om de dikwijls met een grote zorg en inspanning verkregen gegevens in een rapport te kunnen samenbrengen.

Resultaten

Uit de binnengekomen reacties kunnen enkele algemene conclusies worden getrokken aangaande de museumaanwinsten uit de periode 1940-1948. Een verheugende constatering was, dat een opmerkelijke hoeveelheid musea tijdens de bezetting onderdak heeft geboden aan collecties en voorwerpen van particuliere eigenaars. Zoals in paragraaf 4.5 werd uiteengezet, is een deel van het Joods particuliere bezit op deze wijze veilig de oorlog doorgekomen. De naoorlogse restitutie van al deze goederen aan de rechthebbenden was echter een complexe aangelegenheid, en is vermoedelijk niet in alle gevallen tot stand gekomen.

Bij bestudering van de museale verwervingen uit de periode 1940-1948 is in een aantal gevallen gerede twijfel ontstaan over de herkomst van voorwerpen. Het gaat onder meer om de aankopen bij Liro-bank en verkrijgingen via andere Duitse of 'geariseerde' instellingen (zie paragraaf 4.2 en paragraaf 4.3). Voor sommige Nederlandse instellingen hebben de belangen van de Joodse eigenaren vermoedelijk een rol gespreeld in de beslissing tot aankoop: door de verwerving bleven goederen voor de duur van de oorlog bewaard in Nederland, terwijl na de bevrijding nader kon worden beslist over de verdere afwikkeling. In andere gevallen zijn geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijke doelstelling, en kan niet worden uitgesloten dat het eigenbelang van het museum heeft meegespeeld of de doorslag gaf bij het besluit tot de verwerving van voorwerpen uit geconfisqueerd bezit. Bij het onderzoek kwam tevens naar voren, dat diverse musea voorwerpen hebben aangekocht bij kunsthandels en veilinghuizen waarvan bekend is of vermoed wordt dat deze in de oorlog door een bezetter geconfisqueerde kunstschatten daar hebben verhandeld (zie paragraaf 4.4).

Enkele keren zijn bij nader onderzoek aanwijzingen gevonden dat de betreffende voorwerpen inderdaad afkomstig waren uit in beslag genomen collecties. In andere gevallen werden hiervoor geen directe aanwijzingen gevonden., of kon geen verdere informatie worden achterhaald doordat de archieven van de betreffende firma's niet beschikbaar waren. In de loop van het onderzoek zijn de voorts vragen gerezen over, onder meer, de museale verwervingen van de voorwerpen uit gevorderd metaal (zie paragraaf 4.6), de aankoop van kunstwerken die vermoedelijk afkomstig zijn van Joodse eigenaars uit naburige landen (zie paragraaf 4.7), en enige naoorlogse verkrijgingen via Nederlandse overheidsinstellingen (zie paragraaf 4.8).

Voor een deel van de objecten die tijdens de oorlog onvrijwillig uit het bezit van eigenaars raakten, zijn na de bevrijding regelingen getroffen met rechthebbenden. In een aantal probleemgevallen lijkt echter geen afwikkeling te hebben plaatsgevonden, en is in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 diepgaand vervolgonderzoek ingesteld om de achtergrond van de desbetreffende aanwinsten te verhelderen. In enkele gevallen heeft deze nadere studie geleid tot het besluit om op zoek te gaan naar de (erven van de) oorspronkelijke eigenaars van de betreffende voorwerpen, om de kunstwerken te kunnen teruggeven. Bij enige andere kwesties beraadt men zich nog op de verdere afhandeling van een en ander.

Vervolgonderzoek

Het is bijzonder lastig om bij museale verwervingen garanties te geven betreffende de 'zuiverheid' van de herkomstgeschiedenis. Aangezien lang niet altijd elke schakel in de herkomstgeschiedenis bekend is, blijft er altijd een grijs gebied bestaan van verwervingen waarbij geen aanwijzingen zijn aangetroffen betreffende een discutabele herkomst, zonder dat is uit te sluiten dat de nieuwe gegevens in de toekomst een ander licht op de zaak kunnen werpen.

Gaande het project hebben vele bij het onderzoek betrokken instellingen moeten ondervinden hoe complex deze materie is, en hoe vaak de bronnen zwegen  over juist datgene waar de aandacht naar uit ging, te weten: wat is de herkomst van aanwinsten uit het tijdvak 1940-1948, en in hoeverre geven deze herkomsten reden tot zorg? Het project museale verwervignen 1940-1948 zal niet kunnen voorzien in het definitieve antwoord op deze vragen. Wel biedt het een eerste inventarisatie van de problemen en mogelijke knelpunten ten aanzien van dit onderwerp. De commissie hoopt hiermee de afzonderlijke Nederlandse musea (zowel de leden en niet-leden  van de NMV) te motiveren tot nadere bestudering van deze thematiek