Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Naoorlogse verwervingen via Nederlandse overheidsinstellingen

Binnen het landelijk museumonderzoek is aandacht besteed aan museumaanwinsten uit de oorlogsperiode, maar ook aan de verwervingen uit de eerste jaren ná de bevrijding. In deze naoorlogse periode kunnen Nederlandse musea op uiteenlopende wijzen kunstwerken hebben verworven waarvan de herkomstgeschiedenis mogelijk problematisch is. Het betreft onder meer cultuurgoederen die na de bevrijding uit Duitsland waren gerecupereerd, en waarvan een gedeelte terecht is gekomen in museumcollecties. Daarnaast bestond er een categorie van kunstvoorwerpen afkomstig uit vermogens in Nederland die na de oorlog door het Rijk onder beheer waren gesteld. Verschillende overheidsinstanties hebben zich met beide categorieën kunstwerken beziggehouden.

In deze paragraaf worden enige opmerkingen gemaakt over deze zeer complexe problematiek, en wordt stilgestaan bij de mogelijkheid dat tijdens het naoorlogse proces van rechtsherstel voorwerpen in musea zijn ondergebracht terwijl er wellicht nog particuliere rechthebbenden waren.

Naoorlogs rechtsherstel

Voor de verheldering van de bovengenoemde problematiek is een korte uiteenzetting nodig over enkele overheidsinstellingen die een rol hebben gespeeld bij het naoorlogs rechtsherstel. De Nederlandse regering te Londen heeft tijdens de oorlog uitvoerige voorbereidingen getroffen ten behoeve van het rechtsherstel.[#98] Een reeks van wetsbesluiten werd uitgevaardigd om het door de bezetter in Nederland begane of in de hand gewerkte onrecht zoveel mogelijk ongedaan te maken. Ook met onrecht in de sfeer van het vermogensrecht werd rekening gehouden: problemen op dit vlak zouden na de oorlog worden aangepakt door de zogeheten Raad voor het Rechtsherstel. Dit orgaan werd ingesteld bij K.B. van 9 augustus 1945, krachtens het Besluit herstel rechtsverkeer van 17 september 1944, Staatsblad E 100.

De Raad voor het Rechtsherstel delegeerde bepaalde taken aan het onder haar Afdeling Beheer ressorterende Nederlandse Beheersinstituut (NBI).[#99] Het NBI werd onder meer belast met het beheer en de liquidatie van het vijandelijk en landverraderlijk vermogen, en met de afwikkeling van het vermogen van onbekende eigenaren. Daarnaast moest het NBI onder andere voorzieningen treffen voor de bewindvoering voor zogeheten ‘afwezigen’ – dit waren vooral gedeporteerde Joden.

Het NBI delegeerde op zijn beurt een deel van zijn taken aan speciale beheerders buiten het eigen instituut. In het kader van het huidige museumonderzoek zijn vooral de werkzaamheden van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit (SNK) van belang.[#100] Deze Stichting, die op 11 juni 1945 werd opgericht door de Ministeries van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Financiën, diende zich volgens de statuten bezig te houden met ‘het verleenen van medewerking bij alle handelingen, welke verband houden met kunstschatten, bibliotheken en archieven, welke zich bevinden of hebben bevonden in vijandelijk bezit’.[#101] De dagelijkse leiding van de SNK lag bij de Directie. Hieronder ressorteerde een Afdeling Buitenland, die (ruwweg) belast was met het terugvoeren van weggevoerde kunstwerken, de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaars, en eventueel verkoop.[#102] Daarnaast ressorteerde er onder de Directie een Afdeling Binnenland. Deze kreeg van het NBI als taak het opsporen, inventariseren en beheren van kunstbezit uit het vermogen van vijanden, landverraders, onbekende eigenaars en afwezigen.[#103]

Op 1 november 1951 werd de SNK opgeheven. De werkzaamheden van de Stichting waren toen reeds enige tijd bij andere instellingen ondergebracht.[#104]

Verwerving van gerecupereerde kunst

De geschiedenis van de naar Nederland teruggevoerde cultuurgoederen is complex. Een groot gedeelte van deze voorwerpen is terechtgekomen in de zogeheten NK-collectie, die in beheer is van het Rijk. Het betreft kunstwerken waarvan na de oorlog werd vastgesteld dat deze niet in aanmerking kwamen voor teruggave aan de vroegere eigenaars, bijvoorbeeld omdat de voorwerpen in de oorlog vrijwillig waren verkocht, omdat de vroegere eigenaars hadden afgezien van aanspraken op rechtsherstel, of omdat deze onbekend waren gebleven. De herkomst van de NK-collectie wordt momenteel in opdracht van de Commissie Ekkart onderzocht door het bureau Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit (Ministerie van OCenW).[#105] Zoals reeds in hoofdstuk 2 werd opgemerkt, valt deze collectie buiten het project Museale Verwervingen 1940-1948.

Een tweede categorie binnen de gerecupereerde cultuurgoederen wordt gevormd door objecten die buiten de NK-collectie zijn gebleven. Het betreft onder meer kunstwerken die aan de vroegere eigenaars zijn gerestitueerd; voorwerpen die door het Rijk zijn geveild; en een zekere ‘restcategorie’ van goederen die door het Rijk (of daaronder ressorterende organen) in Nederlandse instellingen zijn ondergebracht zonder dat hieraan een NK-nummer is toegekend. Deze tweede categorie van voorwerpen valt buiten het herkomstonderzoek van het bureau Herkomst Gezocht, en verdient daarom de aandacht bij eventueel vervolgonderzoek door de afzonderlijke musea. Bij de reacties van de leden van de nmv vinden we enkele voorbeelden van musea die uit Duitsland gerecupereerde voorwerpen in de collectie hebben, welke geen deel uitmaken van de NK-collectie. Met name kan gewezen worden op:
Schoonhoven, Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum
Amsterdam, Theater Instituut

Verwervingen uit vijandelijk en landverraderlijk vermogen

Naast de uit met name Duitsland gerecupereerde werken, is er nog een andere groep cultuurgoederen die mogelijk deels in de collecties van musea is terecht­gekomen. Het betreft voorwerpen uit verbeurdverklaard bezit van vijanden, landverraders en politieke delinquenten. Ook ten aanzien van deze categorie cultuurgoederen is nog weinig onderzoek gedaan. Wel kan reeds worden vastgesteld, dat diverse Nederlandse musea dergelijke kunstvoorwerpen hebben verworven via de Afdeling Binnenland van de SNK en het NBI.

Na de oorlog zijn vele kunstwerken uit de vermogens van vijanden en politieke delinquenten bij delegatie van het NBI in beheer genomen door de Afdeling Binnenland van de SNK.[#106] Deze afdeling stelde in de provincies en in afzonderlijke districten inspecteurs aan, die de kunstvoorwerpen dienden op te sporen, in bewaring te nemen, te inventariseren en te beheren. Mr. L.J.F. Wijsenbeek werd benoemd tot landelijke inspecteur en kreeg de dagelijkse leiding over de afdeling. Al snel zou echter blijken dat de getroffen voorzieningen niet voldeden. Er werd wanbeheer bij de Afdeling Binnenland vastgesteld, waarna het Hoofdkantoor van het NBI op 18 augustus 1948 de werkzaamheden van deze afdeling overnam.

Een deel van de door of namens het NBI beheerde kunstwerken, is in bezit gekomen van het Rijk. Diverse musea zijn door de Rijksoverheid in de gelegenheid gesteld om deze voorwerpen aan te kopen, vaak nadat ze enige tijd als bruikleen of bewaring in de betreffende instellingen waren ondergebracht. Zo verwierf het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen een aantal verbeurdverklaarde schilderijen van een (ex-)politieke delinquent, terwijl het Stedelijk Museum Roermond voorwerpen aankocht uit een na de oorlog in beslag genomen collectie van een museumdirecteur uit Krefeld. In beide gevallen was sprake van aankopen bij het NBI. Musea kunnen echter ook door veilingaankopen in het bezit zijn gekomen van kunst uit landverraderlijk of vijandelijk vermogen. Hierbij kan onder meer verwezen worden naar een veiling uit 1947, waarbij de eigendommen werden verkocht van een Haagse kunsthandelaar wiens vermogen door het NBI in beheer was genomen.[#107] Voorafgaand aan de veiling benaderde de SNK een aantal Nederlandse musea, om te inventariseren of er belangstelling bestond voor de aankoop van voorwerpen uit deze boedel.[#108] Van ministeriële zijde werden speciale regelingen getroffen om eventuele aankopen door musea op de betreffende veiling te vergemakkelijken.[#109]

In hoeverre zijn dergelijke museale aanwinsten als problematisch te beschouwen? Het is moeilijk om hier algemene uitspraken over te doen. Opgemerkt dient te worden, dat er bepaalde risico’s waren verbonden aan de aankoop van kunstwerken uit landverraderlijk of vijandelijk vermogen. Sommige van de betrokken personen kunnen tijdens de oorlog te maken hebben gehad met door de bezetter geconfisqueerde of geroofde Joodse eigendommen. Het is mogelijk dat dergelijke voorwerpen zich bij de bevrijding nog in de betreffende boedels bevonden, waarna ze bij naoorlogse aankopen via het NBI in Nederlandse openbare collecties terecht kunnen zijn gekomen (dit risico kan overigens worden uitgesloten bij de genoemde aankoop van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, aangezien de schilderijen in dat geval vervaardigd zijn door de betrokken ex-politieke delinquent zelf. Van de voorwerpen die door het Stedelijk Museum Roermond zijn aangekocht, zijn geen verdere herkomstgegevens bekend).

Verwervingen uit onbekend vermogen

De Afdeling Binnenland van de SNK beheerde niet alleen kunstwerken uit de vermogens van landverraders en vijanden, maar tevens kunstvoorwerpen van onbekende eigenaars en afwezigen. Ook uit deze categorie voorwerpen kunnen musea kunstwerken hebben verkregen. Als voorbeeld kan gewezen worden op een naoorlogse verwerving van het museum Kröller-Müller te Otterlo. Het betrof een schilderijtje van een ploegende boer, dat destijds waarschijnlijk ten onrechte werd toegeschreven aan Vincent van Gogh. Het kunstwerk was na de oorlog in bewaring genomen door een Inspecteur van de SNK, en was afkomstig uit on­bekend vermogen.[#110] Vervolgonderzoek door de Nederlandse musea zou wellicht andere voorbeelden aan het licht kunnen brengen.

Verwervingen via lokale overheden

Ter afsluiting kan nog gewezen worden op de mogelijkheid van problematische verwervingen via lokale overheden. Zo meldden twee musea in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948, dat zij na de oorlog voorwerpen met een onduidelijke herkomstgeschiedenis in bewaring of bruikleen hebben gekregen van de gemeentepolitie. Het betreft:
Groningen, Groninger Museum
Vlissingen, Stedelijk Museum

Terug naar het overzicht