Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Problematische aanwinsten afkomstig uit naburige landen

Bij het onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948 is de nadruk gelegd op de Nederlandse herkomstgeschiedenis van museumaanwinsten. De achtergrond van deze begrenzing van het onderzoek is uiteengezet in hoofdstuk 2.

Toch is het goed dat musea zich ervan bewust zijn dat ook een buitenlandse provenance van voorwerpen zwakke schakels kan vertonen, die bij eventueel vervolgonderzoek de aandacht verdienen. Een belangrijk gegeven is, dat vanaf 1933 door Duitse nationaal-socialisten tal van bezittingen zijn onttrokken aan personen en groepen die de nieuwe machthebbers onwelgevallig waren – zowel in het Altreich, als in de geannexeerde landen. Het was vooral de Joodse bevolkingsgroep die hiervan te lijden had.

‘Judenauktionen’ en confiscaties in Duitsland

Na de machtsovername van de nationaal-socialisten in 1933 werd de druk op de Duitse Joden steeds verder opgevoerd. Een reeks van discriminerende maatregelen moest hun uitbanning verzekeren uit het maatschappelijke, economische en culturele leven van Duitsland. Essentieel in dit proces was de uitvaardiging van de Neurenberger Wetten in september 1935, waarin gedefinieerd werd wie Joods was, en waarin aan de Joden het Duitse burgerschap en diverse burgerrechten werden ontnomen.

In een steeds vijandiger omgeving zagen tal van Joodse families zich na 1933 genoodzaakt om hun kunstcollecties te verkopen – hetzij om te voorzien in hun bestaansmiddelen, hetzij om een vlucht naar andere landen te bekostigen.

Het veilingwezen in Berlijn vervulde bij de uitverkoop van Joods kunstbezit een spilfunctie. [#89] Berlijn vormde, naast München, hét centrum van de Duitse kunsthandel. Joodse kunstcollecties uit het hele land werden na 1933 onder de hamer gebracht bij Berlijnse firma’s en raakten daarna over alle windstreken verspreid. De Reichskulturkammer hield nauwlettend toezicht op deze zogenaamde ‘Juden-auktionen’ en op het veilingwezen in het algemeen. [#90]

In 1938 raakten de gebeurtenissen in een stroomversnelling. De Kristallnacht van november 1938 luidde een periode in waarin de nationaal-socialisten in het Altreich steeds meer Joodse eigendommen – waaronder kunstverzamelingen – naar zich toe trokken. [#91] De gebeurtenissen in Oostenrijk, waar na de Anschluss van maart 1938 op grote schaal Joodse kunstcollecties werden geplunderd en in beslag genomen, vormden een voorafspiegeling van de systematische roof van Joods kunstbezit in Duitsland. [#92]

De in Duitsland geconfisqueerde kunstwerken kregen verschillende bestemmingen. Hitler’s zaakgelastigden probeerden de beste stukken te selecteren voor het zogenaamde Führermuseum, dat op termijn in Hitler’s geboortestad Linz zou moeten verrijzen. [#93] Daarnaast kwam een aanzienlijke hoeveelheid roofkunst terecht in bestaande Duitse musea, die dikwijls goed op de hoogte waren van de herkomst van hun nieuwe pronkstukken. [#94] Andere kunstwerken werden voor representatieve doeleinden gebruikt, als Wandschmucke die de diverse staatsgebouwen moesten opluisteren. Wat overbleef, werd veelal verkocht via kunsthandelaars of veilinghuizen. Naast Joods kunstbezit uit eigen land, verschenen vanaf het einde van de jaren dertig ook kunstwerken op de Duitse markt die onttrokken waren aan Joodse eigenaars in de bezette landen.

De weg naar Nederlandse museumcollecties

Een belangrijke vraag is, of er mogelijk kunstwerken uit Joods bezit vanuit nazi- Duitsland of de bezette landen in Nederland terecht zijn gekomen. Sommige kunsthandelaars, zoals de Amsterdamse firma Jac. Stodel, lijken zich na de machtovername van de nationaal-socialisten te hebben onthouden van handel met Duitsland. [#95] Dit gold echter niet voor iedereen. Zo bezochten diverse Nederlandse kunstkopers na 1933 veilingen en kunsthandels in Berlijn, waar zij – wellicht soms zonder het te weten – stukken uit Joodse kunstverzamelingen kunnen hebben verworven. [#96] Niet uitgesloten kan worden, dat dergelijke aankopen vervolgens hun weg hebben gevonden naar Nederlandse museumcollecties.

Hoewel de buitenlandse provenance van Nederlandse museumaanwinsten geen centrale plaats innam in het huidige museumonderzoek, zijn er wat dit betreft toch enkele problematische kwesties naar boven gekomen. Sommige musea meldden dat zij tussen 1933 en 1945 stukken hebben verworven met een mogelijk verdachte buitenlandse herkomstgeschiedenis. In een aantal gevallen betrof het zaken die reeds na de oorlog zijn uitgezocht. Zo bleek na de bevrijding dat een in 1941 door het museum Kröller-Müller aangekochte pastel van Edgar Degas afkomstig was uit ‘geroofd Frans bezit’.[#97] Het betreffende kunstwerk is eind 1945 door Nederland aan Frankrijk teruggegeven. Ook een in 1941 door het museum Kröller-Müller verworven schilderij van Camille Pissarro is na de oorlog geretour­neerd aan Frankrijk. Bij een aantal andere museumaanwinsten bleek nog geen afhandeling te hebben plaatsgevonden. In de geconstateerde gevallen wordt momenteel vervolgonderzoek verricht, en/of is overleg gaande met verwanten van de oorspronkelijke eigenaars. Enige belangrijke kwesties worden
uiteengezet bij de bespreking van de volgende musea:
Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen
Middelburg, Zeeuws Museum
’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag

Lees verder over de Naoorlogse verwervingen via Nederlandse overheidsinstellingen