Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Ingeleverd metaal in de Nederlandse musea

In de aanwinstenlijsten van de Nederlandse musea over de periode 1940-1948 wordt opmerkelijk vaak melding gemaakt van verwervingen uit zogenaamd ‘ingeleverd metaal’. Het betreft voorwerpen van doorgaans cultuurhistorische waarde, zoals antieke ketels, potten en stoven, die als neveneffect van de Duitse metaalvordering in Nederlandse musea terecht zijn gekomen.

De metaalvordering

Op 18 juni 1941 vaardigde Reichkommissar Seyss-Inquart Verordening 108 uit.[#75] Deze Verordening vergde van de Nederlandse bevolking de inlevering van koper, messing, lood, brons, tin en verschillende legeringen. De inleveraar kon, indien hij dit wenste, de metaalwaarde van de ingeleverde voorwerpen vergoed krijgen. Bij ontduiking van de Verordening dreigde een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar, een geldboete, of een combinatie van beide. De metaalvordering was een impopulaire maatregel die op grote schaal lijkt te zijn ontdoken.[#76] Terwijl de bezetter uitging van een eindopbrengst van circa 8000 ton, werd slechts rond de 3000 ton bijeen gebracht.[#77]

Na de inzamelingsactie van 1941 kreeg de bevolking nog met diverse nieuwe metaalvorderingen te maken.[#78] Zo moesten in 1942 bronzen, nikkelen en zilveren munten worden ingeleverd. In hetzelfde jaar verscheen een verordening van Seyss-Inquart die een groot aantal uiteenlopende metalen voorwerpen binnen het bereik van de bezetter bracht, waaronder kerkklokken, gedenktekenen, onderdelen van de inventarissen van bepaalde fabrieken, enzovoort.[#79] In oktober 1942 en in de zomer van 1943 volgden vorderingsacties met betrekking tot de Nederlandse ijzer- en staalvoorraden.

Redding van Nederlands cultuurgoed

Bij de eerste metaalvordering, in de zomer van 1941, was tot op zekere hoogte rekening gehouden met de Nederlandse gevoeligheden: in Verordening 108 waren maatregelen getroffen om te voorkomen dat de inlevering schade zou toebrengen aan het Nederlandse cultuurgoed. Diverse categorieën voorwerpen waren vrijgesteld van de verplichting tot inlevering.[#80] Dit gold onder meer voor voorwerpen van hoge wetenschappelijke, geschiedkundige of kunstwaarde, en voor voorwerpen die tot ‘waardevol volksgoed’ konden worden gerekend. Voor deze objecten kon men ontheffing aanvragen.

Om het Nederlandse cultuurgoed voor de smeltkroes te behoeden, werd een omvangrijke organisatie van experts opgezet. Het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming benoemde H.E. van Gelder (toen ondervoorzitter van de Rijkscommissie van Advies in zake de Musea) als Hoofdmuseumdeskundige Inlevering Metalen.[#81] Van Gelder verzamelde 121 museumdeskundigen en 74 assistenten onder zich, die binnen diverse ressorten in Nederland werkzaam waren. De museumdeskundigen zetten hun kunst- en cultuurhistorische kennis in, om te beoordelen in welke gevallen terecht gebruik was gemaakt van de formulieren waarmee dispensatie werd aangevraagd voor de metaalinlevering. In maart 1942 was voor circa 332.000 voorwerpen vrijstelling gevraagd. Ongeveer 318.000 van de verzoeken werden gehonoreerd.[#82]

Gevolgen voor Nederlandse musea

De metaalvordering heeft voor de Nederlandse museumwereld een onvoorzien gevolg gehad.Veel musea hebben van deze voorziening geprofiteerd. De omruilactie vond gedeeltelijk centraal plaats: uit alle delen van het land werd ‘waardevol volksgoed’ naar Utrecht gezonden en op een grote zolder naast het Centraal Museum opgeslagen. Op 6 juli mocht het Nederlandsch Openluchtmuseum daar de unica tussen uit halen. Op 7 tot en met 10 juli konden andere Nederlandse musea hun keuze maken uit ongeveer 1000 kilo aan metalen voorwerpen – dit tegen betaling van 60 cent per kilo of inlevering van een gelijk gewicht in koper of tin.87 Aan het eind van de eerste museumdag was de gehele voorraad ingeruild.[#83] De museumdeskundigen bemerkten al snel dat lang niet alle particulieren gebruik maakten – of wensten te maken – van de mogelijkheid om vrijstelling van inlevering aan te vragen. Vooral op het platteland schrokken particulieren vaak terug voor het invullen van de formulieren, of had men geen oog voor de cultuurhistorische waarde van bepaalde voorwerpen. Zo beschreef de Burgemeester van Opperdoes hoe ‘bij de inlevering van metalen enkele personen met voorwerpen van waardevolle volkskunst van +/- 100 jaren oud verschenen, die ... naar hun zeggen “dezen ouden rommel kwijt wilden”.[#84] In andere gevallen waren burgers onvoldoende op de hoogte van de mogelijkheid tot vrijstelling, of wilden zij alles inleveren uit vrees voor moeilijkheden.[#85] Ook kan van invloed zijn geweest dat de inleveraars recht hadden op vergoedingen voor het ingeleverde metaal.

Het gevolg was dat tal van ingeleverde voorwerpen alsnog door de inleveringbureaus als ‘waardevol volksgoed’ apart werden gezet. Deze artikelen mochten volgens de voorschriften van Duitse zijde onder geen beding aan de inleveraars terug gegeven worden. Het DOWC deed een beroep op de Duitse autoriteiten om te voorkomen dat dergelijke waardevolle voorwerpen omgesmolten zouden worden. Na een aanvankelijke weigering, werd goedgevonden dat bijzondere stukken ter beschikking werden gesteld aan de Nederlandse musea – in ruil voor hetzelfde gewicht aan reeds vrijgegeven metalen voorwerpen van mindere kwaliteit.[#86]

Veel musea hebben van deze voorziening geprofiteerd. De omruilactie vond gedeeltelijk centraal plaats: uit alle delen van het land werd ‘waardevol volksgoed’ naar Utrecht gezonden en op een grote zolder naast het Centraal Museum opgeslagen. Op 6 juli mocht het Nederlandsch Openluchtmuseum daar de unica tussen uit halen. Op 7 tot en met 10 juli konden andere Nederlandse musea hun keuze maken uit ongeveer 1000 kilo aan metalen voorwerpen – dit tegen betaling van 60 cent per kilo of inlevering van een gelijk gewicht in koper of tin.[#87] Aan het eind van de eerste museumdag was de gehele voorraad ingeruild.

Ingeleverd metaal in de huidige museumcollecties

In een verslag over zijn werkzaamheden als Hoofdmuseumdeskundige, gaf H.E. van Gelder een nog onvolledige lijst van Nederlandse openbare verzamelingen waar ‘waardevol volksgoed’ uit de metaalvordering terecht was gekomen. Het waren er meer dan veertig.[#88] Het is dan ook niet verwonderlijk, dat in de aanwinstenlijsten van de Nederlandse musea over de periode 1940-1948 dikwijls ingeleverde metalen opduiken. In de reacties van de musea is vermeld om welke instellingen het gaat.

Onbekend is, of er na de oorlog sprake is geweest van voormalige eigenaars die ingeleverde metalen voorwerpen van musea hebben teruggevraagd. Het huidige museumonderzoek heeft geen voorbeelden opgeleverd van naoorlogs rechts­herstel met betrekking tot ingeleverd metaal. Het is zeer de vraag of eventuele pogingen tot teruggave in deze tijd enige kans van slagen zouden hebben: tot nu toe is geen administratie aangetroffen die het mogelijk maakt om de relatie te leggen tussen de metalen voorwerpen in musea en de individuele inleveraars.

Lees verder over de Problematische aanwinsten afkomstig uit naburige landen