Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Het Rijksfonds voor de aankoop van Joods bezit

In deel 13 van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Lou de Jong, vindt de lezer een passage die met het oog op het project Museale Verwervingen 1940-1948 van grote relevantie is. Het betreft een verwijzing naar een ‘extra-subsidie’ die tijdens de oorlog op departementaal niveau was ingesteld om te voorkomen dat Nederlandse kunstschatten naar Duitsland verdwenen. Uit deze subsidie, ten bedrage van vijf ton, zouden aankopen uit Joods bezit be-kostigd zijn ten behoeve van de nationale musea.[#30]

Hoe is deze subsidie tot stand gekomen? Welke collecties en objecten zijn aangekocht, en in hoeverre heeft er na de bevrijding rechtsherstel plaatsgevonden ten aanzien van deze transacties? Aan deze vragen is bij het onderzoeksproject naar museale aanwinsten uit de periode 1940-1948 uitvoerig aandacht besteed.

De uitkomst van dit onderzoek is, dat het Rijksfonds is aangewend voor de aankoop van acht collecties uit Joods bezit ten behoeve van Nederlandse musea. Daarnaast werden nog eens drie collecties of kunstvoorwerpen door musea verworven met andere middelen dan het aankoopfonds. Verder werd duidelijk dat er zich onder de elf verwervingen geen ‘vergeten gevallen’ bevinden – hiermee wordt bedoeld dat na de oorlog over elk van de verwervingen overleg heeft plaatsgevonden met (erfgenamen van) de oorspronkelijke eigenaars. Bij één verwerving zijn er evenwel aanwijzingen dat dit overleg niet heeft geleid tot een afhandeling die vanuit de optiek van de erfgenamen bevredigend is geweest. Het betreft een collectie archeologica die zich in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden bevindt.

De aanleiding

Op 21 mei 1942 kondigde Rijkscommissaris Seyss-Inquart Verordnung no. 58/’42 af. Zoals reeds in paragraaf 4.2 werd vermeld, was dit één van de vele anti-Joodse maatregelen uit de oorlogsperiode: de verordening bepaalde dat Joodse vermogenswaarden bij de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) moesten worden ingeleverd. Het betrof niet alleen geld en effecten, maar ook collecties van alle soorten, kunstvoorwerpen, voorwerpen van edele metalen en juwelen.[#31]
Vrijwel onmiddellijk na de uitvaardiging van Verordnung 58/’42 luidde het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (DOWK) de noodklok bij de Rijkscommissaris. De afdeling K.W. gaf uiting aan de vrees ‘dat door dezen maatregel ons land wederom een gevoelig verlies aan cultureele waarden zal komen te lijden’.[#32] Het departement formuleerde een reeks voorstellen om de schade van de maatregel voor het nationale kunstbezit zoveel mogelijk te beperken. Allereerst verzocht het dowk aan de Rijkscommissaris om de Liro-bank opdracht te geven niets van de Joodse goederen te verkopen vóórdat de Staat in de gelegenheid was gesteld om na te gaan welke voorwerpen het wilde verwerven voor openbare collecties. Daarnaast werd aandacht gevestigd op het Joods bezit dat in bruikleen of bewaring was bij de Nederlandse musea. Het DOWK vroeg toestemming om deze voorwerpen te laten waar ze waren, en voorlopig met aanmelding ervan bij de Liro-bank te volstaan. Ten derde hoopte men dat een aantal objecten waarvan de verwerving een zaak van nationaal belang was, in bewaring konden worden gegeven aan Rijksmusea.

De Duitse autoriteiten bleken bereid om aan de verzoeken van het DOWK tegemoet te komen. Zo mocht een functionaris van het departement in gezelschap van dr. Plutzar een bezoek brengen aan de Liro-bank, om na te gaan of de voorraad stukken bevatte die van betekenis waren voor het nationale kunstbezit (zie hieronder).[#33] Daarnaast stond de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz toe dat de bruiklenen van Joodse eigenaars voorlopig in de musea bleven, en dat enkele Joodse verzamelingen van bijzondere betekenis alsnog aan musea in bewaring werden gegeven.[#34]

Voor de praktische uitwerking van een en ander, was allereerst een inventarisatie van de probleemgevallen nodig. In juni 1942 verzocht het departement aan de belangrijkste Nederlandse musea om een opgave van de Joodse eigendommen die als bruikleen in de betreffende instellingen waren ondergebracht.[#35] In de volgende weken stroomden de reacties binnen. Zeker elf instellingen lieten weten dat zij inderdaad objecten van Joodse eigenaars in bruikleen hadden. In dezelfde periode selecteerde het dowk vier grote collecties uit Joods bezit die zich niet in de musea bevonden, maar waarvan de verwerving volgens het departement een zaak ‘van nationaal belang’ was.[#36] Deze verzamelingen werden door de Duitse autoriteiten voorlopig gevrijwaard van inlevering bij de Liro-bank, en mochten in bewaring worden genomen door Nederlandse musea.[#37]

In totaal werden kunstcollecties van circa dertig Joodse eigenaars aangemeld bij het DOWK. Dit is inclusief de vier bewaarnemingen, en inclusief de aangemelde bezittingen van enige synagogen.[#38]

De Liro-bank probeerde gedaan te krijgen dat het dowk de Nederlandse musea in een circulaire zou vragen om de Joodse vermogenswaarden rechtstreeks bij de bank aan te melden.[#39] De afdeling K.W. voelde er echter niets voor om ‘dergelijke hand- en spandiensten aan deze heeren’ te verlenen.[#40] De vrees van de Liro-bank dat er informatie werd achtergehouden, was zeker niet ongegrond. In veel gevallen verzwegen musea dat zij op verzoek van de eigenaars Joods kunstbezit bewaarden (zie ook paragraaf 4.5).

Stichting van het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’

In oktober 1942 kreeg het DOWK bericht dat er een besluit was gevallen over het Joodse kunstbezit in de musea. dr. Plutzar meldde dat de betreffende verzamelingen verkocht zouden worden.[#41] De musea kregen echter de gelegenheid om de collecties die niet van Duitse zijde werden overgenomen, tegen taxatieprijzen te verwerven. Niet aldus verworven kunstwerken dienden te worden ingeleverd bij de Liro-bank.

Het departement informeerde bij de elf betrokken museumdirecties of deze het Joodse kunstbezit dat bij hun instelling was ondergebracht, al dan niet wensten aan te kopen.[#42] Zeker vier museumdirecteuren lieten weten dat zij inderdaad tot aankoop genegen waren, aangezien (delen van) deze verzamelingen van groot belang waren voor hun museum.[#43]

Om de aankopen uit Joods bezit te kunnen bekostigen, had het DOWK zich reeds in juni 1942 gewend tot het Departement van Financiën dat in die tijd onder leiding stond van M.M. Rost van Tonningen. Na herhaaldelijk aandringen van de afdeling K.W. stelde het departement van Financiën in december 1942 vijf ton beschikbaar voor de ‘Aankoop van voorwerpen van cultureel belang uit voormalig Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst’ (art. 228 bis op de begroting van het DOWK).[#44] Dit bedrag zou later nog eens
worden verhoogd met f 21.000, -, voor een veilingaankoop uit Joods bezit ten behoeve van het Rijksmuseum.[#45]

De fondsaankopen

Na de toezegging van de subsidie voor de aankoop van Joods kunstbezit, kwamen de onderhandelingen met de Liro-bank op gang – onderhandelingen die de bank zo snel mogelijk wilde afronden, terwijl het departement en de musea de zaken soms juist leken te rekken. [#46]

Het waren in eerste instantie de musea zelf die, daartoe gemachtigd door het DOWK, overleg voerden met Lippman, Rosenthal & Co.. De bank liet de Joodse collecties taxeren en gaf de museumdirecties de vraagprijs door, waarna de musea bij het departement om een aankoopmachtiging vroegen. Het DOWK hield echter voortdurend de vinger aan de pols en coördineerde de verwervingen.

De belangrijkste besprekingen met de Duitse instanties voerde het departement zelf.[#47] De onderhandelingen zijn niet zonder resultaat gebleven. Voor zover bekend is uiteindelijk iets meer dan vijf ton van het Rijksfonds besteed, en wel aan de verwerving van acht collecties uit Joods bezit in de jaren 1943 en 1944. De aangekochte voorwerpen kwamen ten goede aan vijf Nederlandse musea. Informatie over de acht fondsaankopen is te vinden bij de besprekingen van de volgende musea:
Amsterdam, Rijksmuseum
Amsterdam, Stedelijk Museum
’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag
Leiden, Rijksmuseum van Oudheden

Aanverwante verwervingen

Naast de onderhandelingen over de acht fondsaankopen, heeft het dowk overleg gevoerd over diverse andere Joodse verzamelingen. De meeste daarvan zijn uiteindelijk niet verworven. Enkele collecties zijn echter wél door musea aangekocht, maar door andere kopers dan het dowk, en met andere financiële middelen dan het fonds voor ‘Aankoop Joodsch bezit’. Het betreft kunstvoorwerpen van drie Joodse eigenaars, verworven voor twee Nederlandse instellingen:
Utrecht, Centraal Museum te Utrecht
Rotterdam, Museum van Oudheden (thans Historisch Museum Rotterdam)

Vooral de aankoop voor het Museum van Oudheden te Rotterdam had een opmerkelijke voorgeschiedenis. Deze verwerving vloeide voort uit een plan van het DOWK om het aankoopfonds niet alleen te gebruiken voor de aankoop van Joods bezit in de musea, maar ook voor de verwerving van kunstwerken uit de voorraad van de Liro-bank.

Eind 1942 vroeg het departement toestemming aan de Duitse autoriteiten om na te gaan of de Liro-voorraad kunstwerken bevatte die van wezenlijk belang waren voor het nationale kunstbezit. [#48] Nadat hiervoor goedkeuring was verleend, verzocht het dowk aan enkele Nederlandse museumdirecteuren om de selectie van de kunstwerken op zich te nemen.[#49] Dit resulteerde in een lijst van enige tientallen stukken die voor Nederlandse musea in aanmerking zouden komen.[#50] Het dowk stelde hiervoor een aankoopbedrag van ca. f 17.000, – ter beschikking uit het begrotingsartikel ‘Aankoop Joodsch bezit’.[#51]

Uiteindelijk liepen de plannen spaak. Dit had waarschijnlijk te maken met de tussenkomst van D. Hannema, directeur van het Museum Boymans en het Museum van Oudheden te Rotterdam. Hoewel deze zelf had meegewerkt aan de opstelling van de bovengenoemde lijst van kunstwerken, liet hij aan de Liro-bank weten dat er voor Nederland nauwelijks iets interessants tussen de Liro-goederen zat. Hij kocht voor het Museum van Oudheden te Rotterdam slechts een mansportret, vervaardigd door de schilder A. Hanneman (zie reactie Historisch Museum Rotterdam). De Liro-bank heeft de overige kunstwerken toen verkocht aan andere belangstellenden dan de Nederlandse musea.[#52]

Naoorlogse afwikkeling van de aankopen

Niet minder belangrijk dan de fondsaankopen uit Joods kunstbezit, is de kwestie van de naoorlogse afhandeling van deze verwervingen. Binnen het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKenW) heerste de overtuiging dat de Staat de morele plicht had om de Joodse eigenaars die dit wensten, weer in hun rechten te herstellen. Vooral J.K. van der Haagen – na de reorganisatie van het departement werkzaam bij de afdeling Oude Kunst en Natuurbescherming (OKN) – was hier zeer stellig in.[#53] Hij herinnerde zijn ambtgenoten van de afdelingen Kabinet en Financiële Controle (F.C.) er herhaaldelijk aan dat ‘de bedoeling van het fonds “Aankoop Joodsch Bezit” niet slechts was geweest kunstgoederen voor Nederland te bewaren, maar ook om Joods eigendom tegen de gevolgen van confiscatie te vrijwaren. In deze gedachtengang moet in de eerste plaats het goed worden teruggegeven’.[#54]

In de praktijk bleek de restitutie echter aanmerkelijk stroever te verlopen dan de afdeling onk had gehoopt. De diverse afdelingen van het ministerie verschilden van mening over de juiste wijze van afwikkeling van de fondsaankopen, waardoor rechthebbenden soms lang moesten wachten op een antwoord op hun verzoeken. De onenigheid over de afhandeling had zowel een juridische als een financiële achtergrond. In de eerste plaats was men het er niet over eens of het herstel van de oude eigendomstoestand geregeld kon worden met een zogeheten dading, zoals de afdeling onk aanvankelijk voorstond, of dat een uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (zie paragraaf 4.8) noodzakelijk was. Na tal van interne nota’s werd besloten dat het vanuit juridisch oogpunt de voorkeur verdiende om de zaken aanhangig te maken bij genoemde Raad.

Een tweede probleem was hiermee echter nog niet van de baan, namelijk de vraag of de Joodse eigenaars de collecties terug zouden krijgen na cessie (overdracht) van de aanspraken op de koopsom die destijds op hun naam bij de Liro-bank was gestort, of na daadwerkelijke betaling van dit geldbedrag aan de Staat. De afdeling ONK pleitte voor cessie van de rechten, terwijl de afdelingen Kabinet en F.C. beducht waren dat dit een schadepost voor de Staat zou opleveren: de kans was groot dat de vordering op de Liro-bank niet het volle bedrag zou opleveren dat indertijd door de Staat voor de betreffende collectie was betaald. Nadat de landsadvocaat zich bij de visie van de afdeling ONK had aangesloten, werd in zeker twee gevallen besloten om bij Rechtsherstel genoegen te nemen met de cessie van de vorderingen die de oorspronkelijke eigenaars tegen de Liro-bank konden doen gelden.

Van de acht fondsaankopen zijn uiteindelijk vier verzamelingen teruggekeerd naar de oorspronkelijke eigenaars of hun erven. In twee van deze gevallen vond restitutie inderdaad plaats na een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. Van de twee andere restituties is niet geheel duidelijk hoe deze tot stand zijn gekomen, wel dát ze hebben plaatsgevonden.

Niet alle fondsaankopen zijn na de oorlog ongedaan gemaakt: vier van de acht collecties zijn na de oorlog niet teruggegaan naar de oorspronkelijke eigenaars of hun erven (behoudens enkele losse voorwerpen). In alle vier de gevallen hebben de rechthebbenden afstand gedaan van hun aanspraken op restitutie. Bij twee collecties was dit reeds vlak na de bevrijding duidelijk, terwijl bij twee andere
verzamelingen het besluit pas viel na een lang proces van onderhandelingen.

Niet aangekochte collecties

Bij de inventarisatie van Joodse bruiklenen in Nederlandse musea werden bij het DOWK veel meer collecties aangemeld dan er uiteindelijk ten behoeve van de Nederlandse musea zijn verworven. Een belangrijke vraag is, wat er met de niet-aangekochte verzamelingen is gebeurd. Het huidige museumonderzoek wees uit dat sommige van deze collecties door de bezetter in beslag zijn genomen. Andere verzamelingen kwamen ongemoeid de oorlog door, en zijn na de bevrijding door de musea aan de rechthebbenden ter hand gesteld. Tenslotte zijn er voorwerpen waarvan ook na archiefonderzoek door de musea niet kon worden vastgesteld wat ermee is gebeurd. Voor deze kunstwerken zijn in de museumadministraties geen uitreçu’s gevonden, terwijl de objecten zelf niet meer aanwezig zijn in de huidige collecties van de musea. De betreffende gevallen komen aan de orde in de reacties van de musea.

Lees verder over de Verwervingen via de Nederlandse kunsthandel