Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

De Liro-bank en andere Duitse (roof)instellingen

De Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 hield bij het opstellen van de aandachtspunten voor het zelfonderzoek rekening met de mogelijkheid dat musea tijdens de oorlog voorwerpen hebben verworven van Duitse of ‘geariseerde’ instanties en diensten. Dergelijke organisaties kunnen op oneigenlijke wijze kunstvoorwerpen hebben verworven, en ze daarna in Nederlandse handen hebben gebracht. Aan de musea werd gevraagd om in het bijzonder te letten op eventuele verwervingen via de bank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) en de Dienststelle Mühlmann.

De Liro-bank

De firma Lippmann, Rosenthal & Co. was een gerenommeerde Joodse bank die gevestigd was aan de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam. Gebruik makend van de goede naam van dit bedrijf, richtte de bezetter in de zomer van 1941 een bijkantoor van de bank op, dat belast was met de uitvoering van diverse anti-Joodse verordeningen.[#17] In plaats van een gewoon bankiershuis was dit filiaal, gevestigd aan de Sarphatistraat 47-55, een ‘roofbank’ waar Joodse eigendommen werden ingezameld en te gelde werden gemaakt.

Aanvankelijk legde de Liro-bank zich toe op taken die voortvloeiden uit Verordening (VO) 148/1941 van 8 augustus 1941. Deze maatregel, bekend geworden als de ‘Eerste Liro-Verordening’, verplichtte de Joodse bevolking tot inlevering van delen van haar geldelijk vermogen. Op 21 mei 1942 volgde met VO 58/1942 de verdere aantasting van het Joodse particuliere bezit. De Rijkscommissaris gelastte met een Tweede Liro-Verordening de inlevering bij de Liro-bank van een hele reeks aan Joodse vermogenswaarden, waaronder ook kunstcollecties, goud, zilver en juwelen.

Naar aanleiding van beide Liro-verordeningen stroomde een onafzienbare hoeveelheid voorwerpen bij de bank binnen. Joodse particulieren brachten goederen in, maar ook een gedeelte van de door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg[#18] (ERR) geconfisqueerde inboedels kwam bij de Liro-bank terecht. De totale waarde aan ingeleverd goed is moeilijk te schatten. Kort na de oorlog is wel gesproken over een waarde van circa 350 à 400 miljoen gulden aan bij de Liro-bank gedeponeerde vermogensbestanddelen (‘fondsen, gelden, tegoeden, vorderingen, polissen, kunstsieraden, goud en zilver’).[#19]

Verkoop van cultuurgoederen door de Liro-bank

De cultuurgoederen die door de Liro-bank werden bijeen gebracht, kregen uiteenlopende bestemmingen. Volgens richtlijnen van hogerhand, konden enkele nazi-kopstukken als eerste een keuze doen uit de kunstvoorraad.[#20] De werken die overbleven, zijn onder meer naar de Duitse kunsthandel en Duitse musea gegaan. Daarnaast werd van officiële zijde toestemming gegeven om kunstwerken van tweede en derde garnituur te laten veilen in Nederland.[#21]

Meer gedetailleerde informatie over de herkomst en bestemming van kunst­werken die bij de Liro-bank waren ingeleverd, vinden we onder andere in de zogenaamde Liro-schilderijenlijst.[#22] Dit register van circa 80 bladen geeft een (waarschijnlijk incomplete) opsomming van de bij Liro ingeleverde schilderijen, tekeningen en prenten, waarbij dikwijls ook de oorspronkelijke eigenaars en de kopers zijn vermeld.[#23] Het is een lijst die na de oorlog voor recuperatiedoeleinden is samengesteld op basis van gegevens uit de oorspronkelijke Liro-administratie (de Liro-kaarten). Er is ook een lijst bewaard gebleven van ingeleverde sieraden.[#24] Soortgelijke registers van bijvoorbeeld kunstnijverheidsvoorwerpen of meubels zijn bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 tot dusverre niet aange­troffen.

In de koperskolommen van de bovengenoemde Liro-schilderijenlijst komen de namen van enige Nederlandse openbare collecties voor. Uiteraard is aan deze aankopen bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 nadrukkelijk aandacht besteed. De uitkomsten van dit onderzoek zijn te vinden bij de bespreking van de volgende instellingen [#25]:
Amsterdam, Rijksmuseum
Amsterdam, Stedelijk Museum
’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag
Leiden, Rijksmuseum van Oudheden
Amsterdam, Gemeentearchief
Rotterdam, Historisch Museum Rotterdam
Utrecht, Centraal Museum

Andere Duitse of geariseerde (roof)instellingen

Naast de Liro-bank kunnen ook andere Duitse (roof)instellingen en daaraan verbonden particulieren kunstvoorwerpen met een dubieuze herkomst aan Nederlandse musea hebben aangeboden. Hierbij dient in het bijzonder te worden gewezen op de Dienststelle Mühlmann. Deze organisatie is in 1940 in opdracht van Seyss-Inquart opgericht, en heeft onder leiding van Kajetan Mühlmann tijdens de oorlog op grote schaal kunstwerken in Nederland verworven met het doel deze door te verkopen aan Duitse afnemers.[#26] Een klein gedeelte van deze aanwinsten bestond uit door de bezetter geconfisqueerd kunstbezit: de Rijkscommissaris had bepaald dat de Dienststelle Mühlmann als eerste een keuze mocht doen uit in beslag genomen cultuurgoederen. De voorraden van de Dienststelle waren doorgaans bestemd voor prominente nazi’s in Duitsland, zoals Hermann Göring, of werden verkocht aan andere Duitse klanten. Toch kan niet worden uitgesloten dat incidenteel goederen door deze organisatie zijn aangeboden aan Nederlandse kopers, en rechtstreeks of via tussenhandelaars terecht zijn gekomen in Nederlandse museumcollecties.

Enkele andere belangrijke Duitse organisaties die tijdens de bezetting te maken hebben gehad met de aankoop en/of roof van cultuurgoederen, zijn het Büro Sonderfragen [#27] van het Rijkscommissariaat (onder leiding van Wickel, en later Göpel); de reeds eerder genoemde Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR), en de instellingen die door de bezetter waren belast met het opsporen, in beslag nemen en liquideren van ‘vijandelijke vermogens’ [#28] (waaronder bezittingen van gevluchte Joden). Daarnaast kunnen echter ook andere Duitse en geariseerde instanties bij hun werkzaamheden in Nederland de hand hebben gelegd op cultuurgoederen die onvrijwillig uit het bezit waren geraakt van de eigenaars. [#29]

Een enkele keer hebben musea bij het zelfonderzoek in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 aanwijzingen gevonden, dat in de genoemde periode voorwerpen zijn verworven die rechtstreeks van dergelijke verdachte Duitse instanties afkomstig waren. Sommige van deze voorwerpen bleken reeds na de bevrijding te zijn teruggegeven. De problematiek met betrekking tot dergelijke verwervingen wordt in hoofdstuk 5 toegelicht bij onder meer:
Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen
’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag

Lees verder over het Rijkfonds voor de aankoop van Joods bezit