Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Introductie

Institutioneel kader

Het functioneren van de Nederlandse musea werd tijdens de oorlog voor een groot deel bepaald door het beleid van de afzonderlijke museumdirecties en de bevoegde lokale overheden. Daarnaast waren de nationale overheidsinstanties van invloed op het handelen van de musea.[#5] Het oude Ministerie van OKenW was in november 1940 op bevel van Seyss-Inquart opgesplitst in twee instellingen: het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (DOWK, later DOWK) en het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). [#6] De musea en de inrichtingen van onderwijs en opvoeding vielen onder het eerstgenoemde departement.

Het DOWK stond onder leiding van secretaris-generaal prof. dr. J. van Dam.[#7] Het cultuurbeleid van dit departement werd echter in sterke mate bepaald door J.K. van der Haagen, chef van de afdeling K.W. (Kunsten en Wetenschappen, later Kultuurbescherming en Wetenschap). Van der Haagen heeft tijdens de oorlog menigmaal zijn invloed aangewend om maatregelen van de bezetter op cultuurgebied te voorkomen of af te zwakken. Naast de contacten met het departement zelf, hadden musea te maken met diverse overheidsorganen, commissies en deskundigen die belast waren met specifieke deeltaken op cultureel gebied. Een belangrijk rol speelden onder meer de Inspecteurs voor de bescherming van schatten van wetenschap en kunst tegen de oorlogsgevaren (‘Inspecteurs Kunstbescherming’), het Rijksbureau voor den Monumentenzorg, de Hoofdmuseumdeskundige Inlevering Metalen, de Rijkscommissie van advies inzake de Musea, alsmede de aan deze commissie verbonden Adviseur voor de Musea. [#8]

Van officiële Duitse zijde werden de K.W.-zaken aanvankelijk behandeld door dr. von Albrecht Hoenigschmidt, en later door de Weense kunsthistoricus dr. F. Plutzar (‘Leiter der Hauptabteilung Wissenschaft, Volksbildung und Kultur-pflege’, ressorterend onder de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, dr. Wimmer). Het contact tussen het departement en dr. Plutzar verliep in het algemeen soepel. Van der Haagen merkte op dat hij ‘na een contact gedurende bijna vijf jaar [niet zou] aarzelen hem een gentleman te noemen, ware het niet dat hij een overtuigd anti-semiet was’.[#9] Hoewel Plutzar volgens Van der Haagen in het algemeen opkwam voor de bij hem voorgedragen Nederlandse belangen, was zijn invloed slechts betrekkelijk. Op cultuurgebied manifesteerden zich allerlei bijzondere organisaties, personen en diensten, zoals de Dienststelle Mühlmann en de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (E.R.R.), waarop het Rijkscommissariaat slechts ten dele gezag kon doen gelden (zie paragraaf 4.2). Het departement en de musea, om nog te zwijgen van de particuliere eigenaars van kunstcollecties, werden geconfronteerd met tal van elkaar doorkruisende bevoegdheden.

Oorlogsomstandigheden

In april 1945 voltooide de reeds genoemde J.K. van der Haagen een rapport over ‘onze roerende schatten van wetenschap en kunst in de oorlogsjaren’. Dit informatieve verslag biedt inzicht in een aantal problemen waarmee Nederlandse musea zich tijdens de bezetting geconfronteerd zagen, en de wijze waarop gereageerd is op de ongewone omstandigheden. Bovenal benadrukt Van der Haagen ‘hoezeer de bezettingstijd met zijn veelal gesloten musea en wetenschappelijke instellingen, zijn geestelijke en materieele nooden, zijn uitschakeling van de besten op intellectueel en artistiek gebied een periode van stilstand en afbraak is geweest’.[#10]

De Nederlandse museumwereld kreeg tijdens de oorlog te maken met tal van omstandigheden die ook op andere gebieden van de maatschappij hun invloed deden gelden. De opeenvolgende verordeningen van de bezetter, de uitdunning der gelederen door de anti-Joodse maatregelen en de Arbeitseinsatz, tal van praktische belemmeringen zoals de stookproblemen – al deze zaken tastten het geregeld functioneren van musea aan, zoals zij dit ook bij andere Nederlandse instellingen deden.

Daarnaast waren er zaken die specifiek op het museale veld betrekking hadden. Aan de diverse maatregelen van de bezetter op het gebied van cultuurbeleid werd dikwijls met tegenzin gehoor gegeven. Zo moesten verschillende musea ruimte bieden aan door de bezetter georganiseerde, ongewenste tentoonstel­lingen waarin de nationaal-socialistische idealen werden verheerlijkt. Al even weinig geestdrift riep doorgaans de gedwongen bruikleengeving van museumstukken op waarmee de Duitse dienstgebouwen werden aangekleed. In 1943 en 1944 is een belangrijk deel van deze kunstwerken aan de musea geretourneerd, maar niet alles kwam terug.[#11] Werken van Joodse kunstenaars en afbeeldingen van Joodse personen die tot museaal bezit behoorden, lijken – op een enkele uitzondering na – ongemoeid te zijn gelaten. Ook acties van de bezetter ten aanzien van Entartete Kunst in Nederlandse musea zijn voor zover bekend achterwege gebleven.

Oorlogsschade

In Nederland is er tijdens de bezetting op het gebied van de kunstschatten veel schade geleden. Maar, stelt Van der Haagen in zijn rapport, ‘Zeker wat den inhoud der musea betreft, is het er nog betrekkelijk goed afgekomen’.[#12] Slechts in een beperkt aantal gevallen zijn museale collecties aangetast. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het Rijksmuseum Kröller-Müller, waar drie schilderijen van oude Duitse meesters in beslag werden genomen. Als compensatie werd een krediet van zes ton ter beschikking gesteld dat het museum kon gebruiken voor de aankoop van andere kunstwerken. Verder werden onder meer de collecties van het Joods Historisch Museum te Amsterdam en van de Spinozahuizen te Rijnsburg en Den Haag geconfisqueerd. De Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) was hier verantwoordelijk voor. Protesten werden door deze organisatie gepareerd met de opmerking ‘Die Art des Eigentümers spielt bei Judaica keine Rolle’.[#13]
Naast deze confiscaties zijn er museumstukken verloren gegaan door oorlogshandelingen. Bij bombardementen en brand zijn diverse kunstwerken vernietigd of beschadigd. Toch vielen de verliezen in dit opzicht nog mee, doordat een groot gedeelte van het museaal bezit veilig lag opgeslagen. Tal van waardevolle
stukken (waaronder ook particuliere eigendommen) zijn reeds voor of tijdens de oorlog ingepakt en geëvacueerd naar zolders, kelders, gymlokalen, speciaal geconstrueerde bomvrije bunkers en andere bergplaatsen. Zowel de Rijksoverheid als de musea voelden de zware taak op zich rusten om het museaal bezit te beschermen tegen het oorlogsgeweld.[#14]

Vooral het particuliere kunstbezit heeft geleden onder de bezetting. Van der Haagen wijst er in zijn rapport op dat er in Nederland niet veel verzamelingen van internationaal formaat waren, maar ‘onze hooge “wooncultuur” bracht mede, dat in vrijwel alle huizen van beter gesitueerden een aantal fraaie oude meubelen, goed Delftsch en porcelein, oud koper en tin, behoorlijke oude en moderne schilderijen werden aangetroffen’.[#15] De oorlog liet zijn sporen na: ‘veel is vernield door oorlogsgeweld, veel beschadigd door tallooze gedwongen verhuizingen, zeer veel ook naar Duitschland verdwenen’.[#16] Een aanzienlijk aantal particuliere collecties kon nog in veiligheid worden gebracht door ze als bruikleen, bewaarneming of schenking onder te brengen in de depots van musea. Als het Joodse eigendommen en/of vijandelijk vermogen betrof, strekte de bezetter hier de hand naar uit. Een deel van het in musea bewaarde particuliere bezit is door Duitse instanties op grond van verordeningen en maatregelen van het Rijkscommissariaat weggehaald. In andere gevallen kon dit worden vermeden, doordat verzwegen werd dat het Joods vermogen betrof, of doordat de betreffende voorwerpen werden verworven door of ten behoeve van de musea (zie de paragraaf 4.3 en paragraaf 4.5).

Politieke oriëntatie

In het rapport van Van der Haagen wordt enige malen in meer of minder bedekte termen verwezen naar de politieke en maatschappelijke oriëntatie van personen uit de museumwereld en het culturele leven tijdens de oorlog. Ook andere literatuur en bronnenmateriaal geeft hierover informatie. Bij de opzet van het project Museale Verwervingen 1940-1948 was evenwel van aanvang af duidelijk, dat de inzet van het zelfonderzoek niet bestond uit het ‘ontmaskeren’ van nationaal-socialistische sympathieën of het zoeken naar blijken van goed vaderlands gedrag bij museummedewerkers of voormalige eigenaars van museale voorwerpen. De opzet was het achterhalen van eventuele problematische aanwinsten, en richtte zich niet op personen.

Tegelijk ligt het voor de hand, dat gegevens over nationaal-socialistische sympathieën en warme contacten met Duitse autoriteiten of roofinstellingen in die zin van belang zijn, dat deze de onderzoeker kunnen helpen bij de bestudering van de herkomst van verwervingen. Bij het onderzoek zijn treffende voorbeelden
aangetroffen van museumdirecteuren en -medewerkers die zich inzetten voor de bescherming van leven en eigendommen van Joodse landgenoten, terwijl onderzoekers tevens stukken aantroffen met gegevens over gedragingen en overtuigingen waarbij vanuit moreel opzicht vraagtekens te plaatsen zijn. In beide gevallen werden deze bevindingen beschouwd als achtergrondinformatie voor het herkomstonderzoek, en niet als het eigenlijke doel van de studie.

Lees verder over de Liro-bank en andere Duitse (roof)instellingen.