Herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945

menu Skip over navigation | Sla menu over

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

1. Aanleiding voor het onderzoek

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Nazi’s op grote schaal cultuurgoederen aan de bezette gebieden onttrokken en naar Duitsland weggevoerd. Een belangrijk deel van deze goederen behoorde toe aan Joodse eigenaars, die gedurende de oorlogsjaren stelselmatig van kunstschatten en andere bezittingen werden beroofd.

De aandacht voor de (kunst)roof door de Nazi’s is de afgelopen jaren sterk toegenomen. In vele Europese landen zijn in de tweede helft van de jaren negentig onderzoeken ingesteld naar dit onderwerp. Bij de bestudering van het thema wordt veelal onderkend dat diverse landen zich reeds tijdens en vlak na de oorlog grote inspanningen hebben getroost om de materiële gevolgen van de bezettingsperiode waar mogelijk terug te draaien. Zo heeft de Nederlandse regering in ballingschap te Londen een omvangrijk complex aan maatregelen tot naoorlogs rechtsherstel voorbereid – maatregelen die ertoe hebben bijgedragen dat een gedeelte van het door de Nazi’s ontvreemde bezit later aan de rechthebbenden kon worden teruggegeven.
Tegelijk wordt ook onder ogen gezien dat de uitvloeisels van de bezettings-periode, onder meer waar het de materiële kant betreft, slechts tot op zekere hoogte ongedaan zijn en konden worden gemaakt door de destijds getroffen regelingen. Ook wordt onderkend dat er na de bevrijding vergeten of onvolkomen afgehandelde gevallen zijn blijven bestaan, waarvoor nu, met hernieuwde inzet, een vorm van rechtsherstel te bereiken is.

De toegenomen nationale en internationale aandacht voor dit onderwerp heeft in Nederland tot enkele belangrijke initiatieven geleid. Op het gebied van kunst kan hierbij met name worden gedacht aan het proefonderzoek naar de herkomst van een aantal kunstwerken die na de bevrijding uit Duitsland zijn teruggevoerd en die momenteel in beheer zijn bij de Rijksoverheid (de zogeheten NK-collectie). [#1] Op grond van de resultaten van deze studie heeft het Kabinet in 1998 besloten om de herkomst van al de betreffende kunstwerken te onderzoeken in het project Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit.
Ook de initiatieven die recentelijk vanuit de museumwereld zijn ontplooid, zijn binnen dit kader van belang. In de Nederlandse museale wereld is de laatste jaren het bewustzijn gegroeid dat een gedeelte van het kunstbezit dat tijdens de bezetting uit handen van de rechtmatige eigenaars is geraakt, zijn weg gevonden kan hebben naar museumcollecties in binnen- en buitenland. Hoewel het na-oorlogs proces van rechtherstel zich ook ten dele tot dergelijke gevallen heeft uitgestrekt, bestaat de mogelijkheid van vergeten kwesties die nog om een vervolg vragen. Vanuit dit besef, en de behoefte aan een grondiger kennis van deze materie, is door enkele grote Nederlandse musea in 1998 het landelijke onderzoeks-project Museale Verwervingen 1940-1948 opgezet. Het betreft, zoals reeds in het voorwoord werd uiteengezet, een zelfonderzoek van de Nederlandse musea, dat erop gericht is om na te gaan of er in de genoemde periode voorwerpen met een dubieuze of problematische herkomst aan Nederlandse museumcollecties zijn toegevoegd. De uitvoering van het project geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV), de landelijke belangenvereniging waar het grootste deel van de Nederlandse musea bij is aangesloten. De NMV telt onder haar leden alle grote, middelgrote, en een groot deel van de kleine musea. [#4] Elk van deze leden is aangeschreven met het verzoek om een zelfstandige bijdrage te leveren aan het onderzoeksproject. Daarnaast heeft de NMV, met financiële steun van het Ministerie van OCenW, een onderzoeker aangesteld die het contact met de musea onderhield en die in een aantal specifieke gevallen aan-vullende archiefstudie verrichtte.
Hoewel de financiële ondersteuning voor het project als geheel is verstrekt door het Ministerie van OCenW, zijn de individuele bijdragen van de musea tot stand gekomen door inzet van de eigen personele en financiële middelen van de betreffende musea. Ook de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor deze onderzoeken ligt bij elk der afzonderlijke leden van de Museumvereniging.

Dit rapport biedt een weergave van de huidige stand van het zelfonderzoek van de musea naar de herkomst van hun aanwinsten uit de periode 1940-1948. Het betreft onderzoeken die in veel gevallen nog gaande zijn, en waarvan ook in het komende jaar nog resultaten gerapporteerd zullen worden aan de commissie.
In de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport worden de onderzoeksopzet en -praktijk van het project uiteengezet en toegelicht. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de bij het onderzoek aangetroffen problemen aan de orde. De bespreking hiervan is van belang om de Nederlandse musea houvast te
bieden bij toekomstig herkomstonderzoek naar de verwervingen in de periode 1940- 1948. In hoofdstuk 5 zijn, alfabetisch geordend naar plaats, de bijdragen van elk der leden van de NMV aan het project weergegeven. In een concluderend hoofdstuk, tenslotte, worden de resultaten en vooruitzichten van het project geschetst.

Terug naar het overzicht